In de kijker: tien schrijvers laten zich inspireren door elkaars foto
De Baan van Eden (1)
Dara BazeletTijdens de afgelopen Vuurlanddag namen alle Vuurlanders een foto mee en gaven die door aan elkaar, zonder erbij te vertellen wat het verhaal bij de foto was. In deze reeks lees je welke teksten ze bij de voor hen onbekende foto hebben geschreven. Deze week: Dara Bazelet schrijft een verhaal bij de foto van Elisa Verkoelen, deel 1.
*
De Baan van Eden (1)
Ik ben veel te oud om te leren schaatsen. Van mijn moeder moet ik reïntegreren sinds we weer in Nederland zijn. Ik weet niet precies wat dat betekent, volgens mij heeft het iets met de dood te maken. En schaatsen is er onderdeel van. Waarom de andere kinderen in mijn groepje hier les in krijgen, weet ik niet. Ik dacht dat kinderen die altijd in Nederland zijn gebleven dat allang hadden geleerd. Net als dat ze allemaal weten dat je een sticker onder je naam plakt op de plaskaart als je naar de wc gaat. Of dat je je vinger recht in de lucht moet steken voordat je iets zegt in de klas. Blijkbaar is dat met schaatsen anders.
Mijn moeder zei dat als het koud genoeg is, het water in de grachten in ijs verandert. Ik kijk elke dag onderweg naar school of het al gebeurd is. Als dat gebeurt, schaatst iedereen naar school. Ik moet dat dus ook kunnen. Zonder te vallen. Zonder rare bewegingen te maken en uitgelachen te worden. Toen ik laatst aan mijn buurmeisje vroeg wat ‘clandestien’ betekende, zei ze: ‘Je bent tien! Dat is veel te oud om dat niet te weten.’
Ze lachte zo hard dat ze een beetje in haar broek plaste. Ze wees naar het donkerblauwe vlekje in haar spijkerbroek. Daar zat de plas.
De meester van ons groepje heet Jaap en draagt een muts waar twee slierten met bolletjes aan hangen. Hij wacht ons op aan het begin van de baan. De Jaap Eden Baan. Als deze hele baan naar hem vernoemd is, zal hij wel rijk en belangrijk zijn. Hij is volgens mij heel nobel, en daarom geeft hij ons les in zijn vrije tijd. ‘Nobel,’ dat woord kent mijn buurmeisje vast niet en ik wel.
Mijn moeder helpt me met mijn schaatsen. Ze trekt de veters strak aan en knoopt er een vlinderstrik in. Ik sta op en loop over de donkere panelen naar het ijs. Ik heb zoveel kleren aan dat ik honderd keer zo groot lijk en zo voel ik me ook. Jaap glimlacht en zegt: ‘Goeiemorgen!’
Hij houdt één hand met handschoen omhoog. Ik moet die hand klappen. Dat deed hij de vorige keer ook. De andere kinderen staan om hem heen. Ik kijk naar het ijs. Mijn voeten zijn zwaar en in mijn jas wordt het steeds warmer. Ik wil mijn sjaal af doen maar heb wanten aan en ik moet vooral mijn armen stil houden zodat ik niet omval. Jaap heeft nog steeds zijn hand omhoog. Jaap is niet nobel. Jaap is een gemene sukkel. Ik wil dat hij zijn hand omlaag doet. Maar dat doet hij niet.
Ik sta voor het ijs. Ik kijk naar het ijs. Ik denk aan mijn moeder die zegt dat ik chocomel krijg na de les. Ik denk aan de chocomel. Ik zet één schaats op het ijs. En dan ook de andere.
Hoe kan het dat zo’n dunne streep onder je schoen blijft staan op zo’n glad oppervlak? denk ik. Ik moet daar niet over nadenken. Ik leun naar voren, hou mijn hand omhoog en klap de hand van Jaap.
‘Bijna compleet,’ zegt hij. ‘Alleen nog Joke.’
Daar komt ze. Joke. De Friezin. Mijn opa zegt altijd dat alle Friezen kunnen schaatsen. Hij heeft de elfstedentocht geschaatst. Gelukkig ben ik niet helemaal Fries dus het geeft niet dat ik er iets langer over doe, zegt hij. Maar Joke is echt Fries. Want ze heet Joke. Met hele kleine, houterige pasjes komt Joke dichterbij. Ze heeft een veel te lange jas aan. Door die jas lijkt ze nog langer dan ze is. Veel te lang voor haar leeftijd. En ze heeft net zo’n muts op als Jaap. Alleen bij haar zijn de slierten nog langer, waardoor haar gezicht uitgerekt lijkt.
We wachten allemaal op Joke. Jaap houdt weer zijn hand omhoog. Joke blijft staan voor het ijs en staart ernaar. Ze knippert niet. Haar ogen lijken op de ogen van een opgezet spookdiertje.
‘Kom maar Joke!’ zegt Jaap.
Joke zet haar schaatsen op het ijs en wil een stap zetten. Ze wankelt. Net voordat ze valt, vangt Jaap haar op. Hij is toch wel nobel, die Jaap. Joke kijkt hem met grote ogen aan.
‘Kijk eens, je bent er. Nu kunnen we beginnen.’
We houden ons vast aan de muur bij het begin van de baan.
‘Het leuke is,’ zegt Jaap terwijl hij over het ijs beweegt alsof het heel normaal is, ‘iedereen komt hier voor de lol.’
Hij denkt vast dat we allemaal debiel zijn. Een groep veel te oude kinderen die niet kunnen schaatsen, met zijn allen op het ijs. Wat een lol.
‘Knoop dat goed in je oren. Soms is het even moeilijk, en soms heb je het ineens te pakken, en dán pak je door.’
Een jongen achter mij gilt: ‘En als je het zelf niet te pakken hebt, pakt Jaap je wel!’
‘Zo is het,’ zegt Jaap.
De rest van zijn praatje hoor ik niet. Ik kijk naar de witte lucht boven mij, naar de zwarte boomtakken die ervoor steken en stel me voor dat ik over de Middellandse Zee schaats, helemaal terug naar huis. Ik ga heel hard en vogels vliegen naast mij om te vragen waar ik heen ga.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik.
‘En daarna?’ vraagt een vogel.
‘Daarna ga ik weer terug, ook naar huis.’
‘Hoe bedoel je?’ vraagt de vogel.
‘Ik heb aan beide kanten van de zee een huis,’ zeg ik.
‘Toe maar!’
‘Bij mijn ene huis ga ik liggen aan het strand en Cornetto’s eten. En bij mijn andere huis verandert het water in ijs, en als ik daar ben ga ik schaatsend naar school.’
Ineens zie ik Jaaps hoofd boven me in de witte lucht opduiken.
‘Kom je?’
Ik kijk voor me. Iedereen is aan het schaatsen. Joke achteraan. Het ziet eruit alsof Joke überhaupt niet verder komt. Ik ga haar inhalen. De vogel vliegt naast me. Ik kijk hem aan, we knikken naar elkaar.
‘Daar gaan we,’ fluister ik. En ik steek mijn ene been uit na de andere. Ik ga niet zo snel als ik wil, maar ik ben niet meer bang om te vallen. Voor me schaatst Jaap en ik kijk naar zijn benen. Hij blijft heel lang op het ene been en dan weer op het andere. Ik probeer hetzelfde te doen. En het werkt. Ik ga keihard. Heel soepel. Alles en iedereen vliegt aan me voorbij en ik hoor een strijkorkest met de wind meebewegen. Muzikanten glimlachen aanmoedigend terwijl ze hun stokken op het ritme van mijn schaatsen heen en weer strijken. Iedereen kijkt naar mij terwijl de vogel dansende rondjes om mij heen vliegt.
De les is al gauw voorbij en Jaap zegt: ‘Goed gedaan.’
Dat zegt hij tegen iedereen. Maar mijn moeder zegt het ook en zij zegt het alleen tegen mij. En ik krijg chocomel. Binnenkort verandert het grachtwater in ijs. En dan schaats ik iedereen voorbij.
(Einde deel 1)
