Er was een geliefde die zich afvroeg wat voor fruit mijn ogen zouden zijn. Of dat fruit dan rijp zou zijn of niet. Of ze van kleur veranderen als ik ze sluit.
Er was diezelfde geliefde die jaloers was op het beddengoed dat om mij heen geslagen was. Die heel zacht fluisterde dat die van mij hield in de hoop dat zelfs de muren het niet zouden horen.
Er was een ribbenkast waarin ik wilde wonen.
Er waren poeltjes water in navels.
Er waren gezichten gedrukt in schaamhaar. En overgave, dat ook.
Er was een vriendin die met me speelde op het grasveld achter het klooster. Ze geloofde in God en maakte alles lichter.
Er was een dag dat ze me vertelde dat Hij huist in de zonovergoten vensterbank en het gras en de vijver met het riet.
Er was een stilte. Later vertelde ze me dat ze God soms ook in mij zag.
Er was mijn oma die zich afvroeg waarom ik wachtte.
Er was ik, koppig, die antwoordde dat ik best mag wachten als ik wil wachten.
Er was mijn oma die zweerde bij dat ik in het licht moest gaan staan.
Er was de bijrijdersstoel met mij erin, soms niet met mij erin. Dan was er oogcontact via de achteruitkijkspiegel. Op welke manier dan ook, er was mijn hand in de buiging van diens nek.
Er was de ochtend erna die minder zwaar aanvoelde dan verwacht.
Er waren losse vellen met daarop mijn naam in diens handschrift. Telkens als ik met mijn vingers over mijn naam glijd, voelt het alsof de lading waar het mee geschreven is, opnieuw in mij gegraveerd wordt.
Er was een brief waarin ik zou schrijven dat ik hoopte dat je zo ver bij me vandaan zou blijven als dat je deed op die nacht dat ik ontroostbaar was.
Er was een tand door mijn lip, het weten dat dat een leugen was en het besluit om het toch niet te schrijven.
Er was een zoveelste gebroken nacht. Ik droomde dat ik voor het eerst in maanden honger had. Het meisje in mijn droom leek op iemand die ik wilde kennen. Onze tanden stootten tegen elkaar, een botsing die leek op zoenen.
Er was het meisje dat zei: jij verdient dit.
Dit gedicht is gebaseerd op Koerikoeloem door Tjitske Jansen