Selwa is trots op de puilende letters die ‘teamleider’ spellen boven het vervaagde Albert Heijn-logo op haar rug. Ik meen dat zij nooit de trein heeft genomen, omdat zij hier nog steeds tegenover mij zit. En ‘hier’ is aan tafel. Onze moeder zit tussen ons in. De laatste keer dat wij met z’n drieën in één ruimte zaten om bij elkaar te zitten, was vlak nadat mijn vader uit huis liep rechtstreeks naar zijn nieuwe familie op vijfhoog. Sinds die dag neem ik nooit meer de lift. Mijn moeders gouden trouwring was een straatvondst: niemand weet naar wie de letter R verwijst. Wij zijn gestopt met raden. Van haar hebben wij geleerd dat geluk te vinden is in de vraagtekens die wij nooit uitspreken. De ring snijdt nog steeds in haar dikke ringvinger, waardoor die op een worstje lijkt dat vastzit in een strakgetrokken korset. Inmiddels kan ik mijn moeders kraaienpoten tellen – wat vreemd is aangezien ik haar nooit heb zien lachen uit vreugde. Misschien omdat ik niet grappig ben, zij meent dat elke dag de laatste kan zijn, zij die sinds mijn geboorte oedeem-enkels heeft, of omdat ik haar vaak zie, maar zij niet naar mij kijkt. Zij heeft immers meer interesse in de blonde hoofdrolspeelster van de Turkse soap Het spijt mij, dan wat er in het leven gebeurt. Ik scheur haar blauwe enveloppen open, zij leest de Arabische ondertiteling.

Ik speelde met de waterige aardappelpuree op mijn bord, toen mijn moeder stroperige jus over mijn gedachten schonk. Plots werd het stil toen Selwa het volgende uitfloepte: ‘Ik ben verloofd.’ Haar natte krullen vielen langs haar bolle wangen, die langzamerhand rood begonnen te worden. Mijn blik schoot naar onze moeder en ik dacht dat ik een frons op haar voorhoofd zou zien, maar alles wat zij weggaf was een klein glimlachje. Oh God.

‘Hè, verloofd? Nu al? Wacht.’ Met gefronste wenkbrauwen gleed mijn blik van Selwa’s ogen, naar het profiel van onze moeder en weer terug naar Selwa. Ik trok een wenkbrauw omhoog en vormde de naam Soumaira met mijn lippen. Selwa’s lichaam verstijfde, voor een fractie van een seconde stonden haar ogen wijd open voordat zij haar lippen op elkaar perste.

Ik wist niet wat ik moest vragen. Of ik iets moest vragen. ‘Met wie?’ En of ik dát wilde weten. Haar handen waren gebald tot vuisten. De damp uit de aangebrande pan jus was het enige dat zweefde tussen onze uitgewisselde woorden.

‘Hicham,’ kondigde onze moeder aan, terwijl zij water in onze koeienmokken schonk.

‘Hicham? Shit, Hicham als in de Turkse-pizza-Hicham?’
Nee. Nee. Nee.

‘Selwa, wat heb je gedaan?’ Ik stikte in het laatste vraagteken. Mijn handen vonden hun toevlucht in mijn haren.

Selwa’s bruine ogen gaven weinig weg. ‘Waarom is het zo moeilijk? Waarom, is het in Godsnaam zo moeilijk om dit te geloven? Mag ik geen relatie, hè? Ben ik niet mooi genoeg, vrouw genoeg om te trouwen met een man? Ik wil al een tijd trouwen en dat weet jij toch? Godsamme! Gun mij één keer iets. Eén keer! Jij weet niet beter.’

Ik schoof mijn bord weg. ‘Ga tenminste voor iemand die meer dan drie sprieten op zijn kale kop heeft! Die man weet niet hoe hij zijn broek omhoog moet houden! En oh, al zijn haar zit tussen zijn billen!’ Ik duwde me overeind. ‘En jou iets gunnen? Besef je niet dat ik jou de wereld wil geven? Misschien weet ik niet beter, maar wat the hell doe jij jezelf nu aan? En fuck, zelfrespect is ver te zoeken als je serieus bent over fucking Hicham!

‘Oh, fuck jou!  Jij zal alleen sterven in jouw feministische shithol!’

‘Saffi! Ket hismoush?! En touma khout!’ Tot dat moment herinnerde ik me dat onze moeder toe stond te kijken. En natuurlijk keek zij vooral toe, zij kijkt altijd vooral toe.

Selwa’s strakke kaak liet mij niet terugdeinzen. ‘Weet je,’ ik voelde mijn huid gloeien onder haar woorden, ‘ik had ook gewoon weg kunnen lopen, zonder ooit wat te zeggen.’

Ik hief mijn kin op. ‘Wat wil je dat ik doe? Doen alsof jij niet jouw ziel gaat verkopen voor een middelmatig leven?’

Zij gooide haar armen in de lucht, ‘zie jij niet in dat wij dat al hebben?’

‘Het verschil is dat je het nu moeilijker kan achter laten. Hij is doodgewicht.’
Ik probeerde een stap naar voren te nemen, maar de rand van de tafel duwde mij terug. ‘Wat is er gebeurd? Selwa…’ Ik voelde de verstikkende prop in mijn keel groeien.
Je was toch…

Verliefd.

‘Je kan toch niet zo naïef zijn?’ vroeg ze ijzig.

Een frons vormde zich tussen mijn wenkbrauwen. ‘Hoe bedoel je?’

‘Je bent toch slimmer dan dit?’ Selwa snoot, ‘je bent ge-whitewashed hè, dat is het? God, je kleedt je als ze, spreekt als ze, eet als ze, schijt als ze en het ergste is: je denkt als ze,
Jij,’ haar wijsvinger wees naar mij, ‘hebt vergeten waar je vandaan komt.’

‘Ik, dat heb ik nooit gedaan!’

Selwa’s linker mondhoek ging omhoog. ‘Oh, is dat zo? Kijk maar wat er gebeurt als je hand in hand loopt. Te lang naar elkaar kijkt, te dicht bij elkaar zit. God, jij Raja, bent het mislukte product van assimilatie. Verdomme, kijk naar jezelf! Onze ouders moesten jou nooit naar dat lyceum laten gaan! Al die misonderwijzende cultuurbarbaren!

Hun vrijheid is niet jouw vrijheid, wat ze ook zeggen: in hun zoektocht naar vrijheid zijn wij vergeten!

Je walgt nu van me, dat is het toch? Je wilt niet zoals ik zijn, want ik accepteer de realiteit. De Walhalla die wij in onze hoofden hebben gebouwd is slechts een waanbeeld! Ben je bewust blind? Wij, zijn het controversiële – het maakt niet uit wat wij doen! Het grootste verschil tussen jou en mij is dat ik mijn vingers wel heb gebrand.’

Met de volgende zin knoopte zij een touw om mijn hals. ‘Jij, Raja, bent nu de ander op beide fronten en maakt dat jou gelukkig?’

De kruk onder mijn voeten schopte ik zelf weg.