Driftig trappend fietste Fiore tussen de twee volwassenen in. Achter zich haar moeder Emma, voor zich opa Frits. ‘Nog meer boten!’ riep ze.

Emma kromp ineen. Ze zag het fietsje van haar dochter zwalken terwijl die de boten aanwees. Handen aan het stuur! wilde ze roepen. Maar Frits kwam er weer eens tussen.

‘Jazeker’ riep hij tegen Fiore. ‘Een vrachtschip.’

‘Vrachtschip,’ herhaalde het meisje.

‘Met containers vol allerlei spulletjes.’

‘Spulletjes!’

Fiore had een roze jasje aan dat haar perfect paste maar toch niet stond. Het was een cadeautje geweest van opa, zomaar. ‘Een jas,’ had Emma gezegd bij het aanpakken van de geste van haar vader, die ze aan de capuchon voor zich uithield. ‘Ruikt nieuw.’ En: ‘Goede maat, lijkt me.’ Haar dank zat besloten in de woorden die ze niet uitsprak, zoals: waarom nou weer roze, waarom nou weer zo traditioneel, waarom überhaupt.

Stukje dalen. Nu ze zo achter haar dochter aan reed, met dat roze jasje, met die lompe regenlaarsjes, kon ze het gevoel niet loslaten achter het kind van een ander te rijden. Op de dijk langs de Waal fietsten ze, ter hoogte van een waterzuiveringsfabriek, tegen de zwakke wind in. ‘Bah!’ riep Fiore nadat ze de fabriek opmerkte. ‘Stinkwater.’

‘Ja haha, stinkwater.’ Frits gaf een klap op zijn stuur en keek zwalkend achterom. ‘Bleh.’ Hij zette duim en wijsvinger als een knijper op zijn neus.

Toen Fiore aanstalten maakte om hetzelfde te doen, schreeuwde Emma: ‘Handen aan het stuur!’

Verdomme. Steeds moest zij de boevrouw zijn. Eén zaterdagmiddag maar. Eentje zonder rolverdeling. Niet weer zo’n zaterdag met dat gestolde gebruik. Waarop Fiore bij enigszins toelaatbaar weer Fiore in die wanstaltige outfit werd gehuld. Waarop ze klef met z’n drieën over de dijk fietsten. Waarop ze op het afgelegen strandje gingen zitten dat altijd verlaten was. Zeker in de herfst was er op een hondenuitlater na niemand meer te vinden in de uiterwaarden, laat staan op het strand, waar het zand hard geworden was en bevroren aanvoelde.

Ze had een poging gedaan. Drie weken terug. Plots was het najaar geworden, de gieter waaide door de tuin, de hark viel in de aarde. Fiore kroop rond op het tapijt in de woonkamer, spelend met haar duplo. Zijzelf zat op de bank een boek te lezen over Oost-Azië, toen er tijdens een stroperige passage over het snel wisselende klimaat van Japan hard op het raam werd geklopt. Ze dacht aan een rondvliegend voorwerp uit andermans tuin. Het was haar vader. Regenjas aan, weinige haren alsof er een magneet aan trok, handen in een kommetje om de lippen gevouwen: ‘Komen jullie nog fietsen?’

‘Papa,’ had Fiore geroepen, en Emma verbeterde haar dochter voordat ze haar vader vroeg of hij gek geworden was.

‘Nog meer schelpen!’ Fiore liep met haar regenlaarsjes aan gebukt over het strand en stopte de minuscule exoskeletten in haar emmertje, dat ze bij het volgende bezoek altijd weer leegden op een plek een paar meter verderop. Met hetzelfde enthousiasme was Fiore in staat iedere week dezelfde oliezwarte schelp met het witte stipje te bestuderen en te laten zien aan haar opa en moeder, tot groot genoegen van Frits, die het moeiteloos op kon brengen haar steeds weer te feliciteren voor het vinden van ‘zo een mooie schelp’. Emma stond er dan een beetje bij, niet in staat of onwelwillend eroverheen te gaan.

Kleumend zat ze met opgetrokken knieën op de scheiding van gras en zand, hield in de gaten of de door machtige schepen opgewekte golven niet te dicht bij haar dochter kwamen. Frits stond op de krib met de benen gespreid als een weggelopen figuur uit een schilderij van Friedrich en zwaaide naar een anonieme schipper. Ze had hem verboden de jengelende Fiore mee te nemen de krib op. Het was bijna op ruzie uitgelopen – hij verweet haar overbezorgd te zijn, zij verweet hem misplaatste autoriteit – totdat Frits plots siste dat ze wel gek was geworden om te gaan bekvechten in het bijzijn van Fiore.

Daar stond haar vader dus alleen. Zwaaiend naar de schipper. Zich met de andere hand vasthoudend aan het baken, dat wel. Twee jaar alweer, was hij weduwnaar. Zijn vrouw, haar moeder, was gestorven aan een erfelijke vorm van borstkanker. Op zijn eenenzeventigste had de vroeg kalende, verstokte roker en fanatieke niet-sporter Frits Leeuwenbrul zijn sportieve, tien jaar jongere vrouw overleefd.

Het was logisch geweest als hij na de dood van zijn sportieve vrouw nog ongezonder was gaan leven. Hét bewijs dat genen gedrag overleven was hij immers zelf. Tot Emma’s verbazing gebeurde het tegenovergestelde. Het was alsof Frits de levensstijl van zijn vrouw geërfd had. In plaats van het huis net als zijn hobbykamer vol te stouwen met prullaria, bracht hij de helft van de huisraad naar de kringloop. Stoelen, kaarsenhouders, bestek. Het stilleven van een fruitschaal boven de keukentafel, waarvan Emma en haar moeder hadden afgesproken dat het in de familie moest blijven, was weg. (‘Was namaak, toch?’). Hij had godverdomme zelfs de helft van de wasknijpers afgegeven bij het inzamelpunt. Hij had zich ingeschreven voor de jeu de boulescompetitie. Hij had een profiel aangemaakt op een datingsite.

Ze had toespelingen gemaakt dat het overlijden van haar moeder hem wel erg gemakkelijk afging en hij had geantwoord dat dat haar wens was geweest: ‘Maak er wat van als ik er niet meer ben, jullie. Blijf niet met me bezig.’ Emma was erbij geweest toen haar moeder deze woorden uitsprak, in afwachting op de uitslag van een routinematige MRI-scan, maar ze had de boodschap anders geïnterpreteerd.

Een vrachtschip kwam achter de zware populieren van de Hurnse Kil tevoorschijn. ‘Fiore. Fiore, niet zo dicht bij het water.’

‘Ze is net haar opa, altijd het randje opzoeken.’

‘Ja, nou.’ Ze had hem niet aan zien komen.

Hij zakte door zijn hurken om haar aan te kunnen kijken. ‘Ze groeit snel, hè.’

‘Als kool.’

Hij haalde zijn neus op. Zelfs dan hoorde je een rochel.

‘Emma. Waarom doe je zo boos?’

‘Hoezo. Wanneer.’

‘Daarnet. Vorige week. Altijd. Je bent altijd boos, Emma.’

Een cynisch lachje ontschoot haar. ‘Hoe weet jij dat nou, of ik altijd boos ben. Ik besta pas net voor je. Fiore, weg van dat water!’

‘Ach, zo ver komen die golven nooit.’

‘Precies dit! Precies dit is waarom ik boos ben. Bemoei je godverdomme met je eigen zaken.’

‘Fiore is mijn zaak.’ Hij liet zich zakken op het zand; zo fit was hij niet meer om minutenlang in de hurkzit te blijven. ‘Ze is mijn kleindochter. Ik hou van haar alsof het mijn eigen kind is, hoe zoetsappig dat ook klinkt.’

‘O, ha, nou, eet dan je bord maar leeg, Fiore,’ schamperde ze zacht genoeg zodat het meisje het niet daadwerkelijk zou horen, ‘anders krijg je voor je het weet een klets tegen je wang. Dan zindert die liefde van je opa de hele avond na.’

‘Is dat het?’ Frits trok een grasspriet uit het zand. ‘Het verleden.’

‘Noem jij het maar verleden.’

‘Het is het verleden. Het is niet meer wie ik ben. Wel geweest, dat geef ik ruiterlijk toe. Waarvoor sorry nog.’ Haar vader wreef in zijn ogen. ‘Ik ben er niet trots op, maar fouten maken we allemaal. Dat weet jij als de beste.’

‘Wat bedoel je daar godverdomme nou weer mee?’

‘Ach.’ Hij maakte een wegwerpgebaar. Fiore zwaaide terug, haar emmertje omhoog houdend. Ze had alweer veel zand mee geschept. ‘Je had Fiore vast een vader gegund die er wel was op haar verjaardag. Die er wel was op haar eerste schooldag. Om maar wat te noemen.’

‘Jij. Ik was mama heel dankbaar geweest wanneer ze me zonder vader had opgevoed. En Christian is op missie. Het is niet dat hij zijn kind verwaarloost. Of mishandelt. Of beide.’

‘Ach Emma, schei eens uit. Ga je nou beweren dat ik je mishandeld heb. Het was een andere tijd toen. Een tijd waarin zolderkamergeleerden het nog aflegden tegen gezond verstand. Ik zweer het je: de meeste opvoedingsdeskundigen hebben zelf niet eens kinderen.’ Frits keek naar links, langs Emma, de rivier af. ‘Of je het nou wil of niet. Het is gebeurd. Maar je weet zelf nu hoe geïrriteerd je kan zijn, als het vol zit daarboven. Hoe weinig er nodig is om te ontploffen. Ik zal het eerlijk zeggen: je was een last toen. Door jou kon ik thuis niet ontspannen van het werk, zo zag ik het. Helemaal verkeerd natuurlijk. Ik kan daar niets meer aan doen. Behalve nu goed leven. Fiore geven wat ik jou niet gaf.’

‘Maar Fiore is jouw kind niet.’

‘Moet ik het dan overlaten aan die vent van je? Hè, moet die het dan doen?’

‘Houd godverdomme je bek, laat me godverdomme met rust.’

Emma stond op. Frits ook. Een wandelaar zonder hond liep voorbij. Ze hadden er geen oog voor.

‘Het is wel mijn kleinkind, hè!’

‘Het was wel mijn moeder!’

Ze stonden tegenover elkaar als waren zij prooi en roofdier ineen. ‘God, op dit soort momenten sla je je voor je kop dat je gestopt bent met roken. Wat heeft je moeder hier nou weer mee te maken?’

‘Nee, niet mijn moeder. Jouw. Vrouw. Je hebt haar laten stikken.’

‘Dat heeft ze zelf gedaan, hoor. Ik was er zelf bij toen het klaar was. Tot die tijd ben ik er altijd voor haar geweest. Zelfs gestopt als vrijwilliger. Dat weet jij ook, Emma. Je kan me niet verwijten dat ik daarna ben blijven leven. Ze zou het niet anders willen. “Blijf niet met me bezig”. Weet je nog?’

‘“Blijf niet met me bezig” is iets anders dan “Vergeet me linea recta en neuk de eerste de beste weduwe die je tegenkomt”.’

‘Ho ho ho,’ hij lachte schalks, ‘zo gemakkelijk gaat dat niet meer op je oude dag hoor.’

Alsof de frustratie uit haar broekspijp was gekropen, zette ze haar rechterbeen ferm in het zand. ‘Waarom lach je? Waarom lach je als het gaat om de dood van jouw vrouw? Van mama?’

‘Ik lach toch niet om haar dood, dat is toch evident? Moet ik jou nou precies gaan uitleggen waar ik om lachte. Mag een man nog lachen na de dood van zijn vrouw? Dat zou ik wel eens willen weten, Emma.’

‘Natúúrlijk mag een man nog lachen, Frits. Wat ik zou willen weten is,’ zei ze, ‘mag een man nog rouwen?’

Voor het eerst in twee jaar hief Frits zijn ogen ten hemel. ‘Maar dat doe ik toch? Niet op jouw manier misschien, maar ik rouw.’ Hij hield zijn be-spataderde linkerhand voor Emma’s ogen. ‘Zie. Zie.’ Een smalle ring omsloot zijn pink.

Emma kleurde rood bij het aanzien van haar moeders trouwring en opende en sloot haar mond zonder geluid te maken.

De aderen onder haar vaders ogen klopten tegen zijn doorzichtige huid aan, zijn lippen trokken samen, zijn neusvleugels vacuüm. Een ijselijke klap tegen haar wang van de al die tijd geheven hand doorbrak de stilte.

‘Mens. Heb jij ooit nog naar mij gekeken na haar dood? Echt naar mij gekeken? Of had je genoeg aan je waanbeelden? Ben je boos dat ik goed ben voor mijn kleindochter, dat ik geluisterd heb naar de woorden van mijn vrouw omdat je nu niet meer in je eigen slachtofferschap kan geloven? Is dat het? Wil je zielig gevonden worden? Nou, ik kan je zeggen: zielig ben je. Dat je het verleden niet achter je kan laten, dat je mij verwijt wat je zelf bent geworden.’

Emma was alleen nog prooi. Van pijn en schaamte draaide zij haar hoofd af, naar de plek op het strand waar haar dochter had moeten staan.

‘Ga maar na: je verwijt mij een slechte vader geweest te zijn en van alle mannen die je uitkiezen kon met je mooie snoetje kies je precies die vent uit die er nooit zal zijn voor zijn kind.’

‘Fiore.’

‘Je verafgoodt je moeder en nu je vader zijn best doet haar rol over te nemen –‘

‘Fiore! Waar is Fiore!’

Vier tellen had Frits nodig om te verwerken wat zijn dochter zei. Vier tellen extra had hij nodig om te reageren met een duw in haar rug.

‘Jij die kant, ik deze.’

‘Fiore!’

Allebei renden ze een kant van het strand uit, zich steeds verder verwijderend van het middelpunt, de omgevallen emmer waaruit een hoopje schelpen geschoven was. Ze gingen de uiterwaarden in, de dijk op. Ze belden de politie. Ze hielden elkaars handen vast op het moment dat de zoektocht halsoverkop vlak voor zonsondergang van start ging. Ze keken elkaar in de ogen toen gevraagd werd hoelang ze haar uit het oog verloren waren, of er echt geen passanten door de uiterwaarden hadden gelopen, welke kleren ze gedragen had.