zou ik moeten merken dat

mijn zicht zich ontdoet

ergens aan de achterkant van mijn tong, ergens achter

mijn gehemelte

wanneer gaan we weer

op café        waar in het verhaal 

verscheen de mist voeren we

            liepen we het koude water in waar 

                    kwam de boot vandaan waar de riemen

waarom wachten we nog is er een overtocht 

die ons brengen kan naar het lied 

dat we zongen die avond ik lig

hier prachtig in mijn bed met

een tweetal roeispanen

je zegt sorry in je slaap

jij verlaat elke cursus die zich voordoet als vriend, als mens

moest ik je stem niet schuw hebben horen worden

op de lijn die ik spande met dit gedicht

dan had ik in alle eerlijkheid

gewacht, ongeopend

blijf je achter blijf je  

ongelofelijk mooi

en nauwelijks te zien