III

Toen Ed had beloofd om voor de wijn te zorgen en de man het telefoongesprek beëindigd draaide de pendelbus de lange laan op waaraan onze camping lag. In het schijnsel van de koplampen doemden de bossen hoge grassprieten op waartussen de tenten lagen verscholen. De regen van die middag glinsterde nog na op sommige zeilen. 

Bij de busstop stond de groep hockeymeiden het eerst op. 

‘Nou, de groeten aan je man!’ zei het meisje met de vlecht. ‘En aan je kinderen.’Zonder om te kijken bedankten de meiden de buschauffeur en verlieten de bus. 

‘Kinderen heb ik niet hoor!’ riep de vrouw hen na. Ook daar had ik mijn twijfels bij. 

‘Ja veel plezier hè,’ knipoogde ik en ging achter Teddy aan het gangpad door. 

‘Zo!’ lachte die nadat we de bus achter ons hadden gelaten en richting de tent liepen. ‘Wat een rit.’

‘Ik weet niet of het allemaal waar is hoor.’

‘Ik vrees van wel.’

‘Het zou kunnen,’ lachte ik. ‘Wat een genot.’

‘Dit is dus echt mijn nachtmerrie,’ zei Teddy. 

‘Hoezo?’ vroeg ik, oprecht verbaasd. Toen ik haar die ochtend had gevraagd waarom ze nooit wilde trouwen, had ze geantwoord dat ze dat ‘’toch te kleinburgerlijk’’ vond. 

‘Dat is toch triest. Dat je dan op die leeftijd bent en naar een festival gaat en dan vreemdgaat.’

‘Nee joh! Dat is het goede leven. Vreemdgaan is natuurlijk slecht, maar zo’n drama is het ook weer niet. Dat is toch het goede leven? Dat je vijftig bent en je  niet te pletter verveelt en gewoon nog eens iets doet wat eigenlijk niet kan.’

‘Ik vind het kinderachtig en sneu. Zoiets doe je gewoon niet.’

‘Als zij dat nou graag willen. Dan heb ik er geen problemen mee.’

‘Nee, natuurlijk heb jíj daar geen problemen mee.’

‘Nou hoezo dat nou weer? Ze moeten het toch zelf weten.’

Ondertussen waren we bij de tent aangekomen. Van de boom boven onze tent vielen druppels op het zeil. Verder was het doodstil tussen de bosjes. De mensen op de veldjes om ons heen moesten nog op het festivalterrein zijn. Dat de meiden met de blikjes Stëlz en de halfdronken jongens die lacherig hadden gevraagd of wij vanavond nog plek hadden in onze tent al vredig op hun luchtbedden lagen, leek me sterk. Van mij hadden ze er best bij gemogen, trouwens. 

Terwijl we naar het douchegebouw liepen, begon het weer te regenen. Doorstappen had geen zin, de kranen bevonden zich tussen het gebouw voormannen en dat voor vrouwen in, in de buitenlucht. Gelukkig had Teddy een paraplu meegenomen, die ik omhoog moest houden, omdat ik van ons twee de langste ben.  

Terwijl Teddy haar tanden poetst, luister ik naar het schuren van de grove haartjes van de tandenborstel tegen haar kiezen, naar het echoën van het tandpastaschuim in haar mond. 

Bij het douchegebouw wemelt het van de mensen. Stoom van warm water en menselijke adem blindeert de ramen van binnenuit. Zelfs buiten staan mensen met een handdoek over hun arm tegen de wand van het gebouw aan gedrukt om zo veel mogelijk uit de regen te blijven. Na drie dagen festival is het voorbij. Is iedereen dan zo bang om stinkend thuis te komen?

Het koppel heb ik sinds we de bus hebben verlaten niet meer gezien. 

Gespuug en gespoel. Teddy is klaar en wast haar tandenborstel schoon. 

‘Ik ga alvast naar de tent,’ zegt ze. 

‘Oké. Dan hou ik de paraplu nog wel even hier als je het niet erg vindt.’

Zonder me aan te kijken draait ze zich om en loopt terug het donkere pad op. Haar schoenen laten indeukingen achter in het modderige gras. In de verte rommelt het.