er zit een mooie jongen op de achterbank, een te letterlijke droom 

achteruitkijkspiegel in zijn handen visgraten uit aan het graven

het is een geurloze droom zijn schoot een kussen ik denk aan hem 

als aan het uitzicht over zee toen ik voor het eerst voelde in mijn ribben 

hoe het is om landloos te zijn, niet meer overal aan te hoeven meren

en ik ruik het citroendoekje pas als hij het doorgeeft, geloof niet 

altijd wat ik me weet te herinneren 

hoe ik in de mast stond, uitkeek