Vijf klassieke korte verhalen naar het moderne herschreven

25

William Somerset Maugham

Robin van Ommen

Omdat ik niet zo getalenteerd of intelligent ben als de reuzen in de literaire geschiedenis, vind ik het in mijn vrije tijd leuk – en leerzaam – om op hun schouders te staan door korte verhalen te herschrijven naar moderne versies. Daarbij stel ik vragen: hoe zouden zij omgegaan zijn met digitalisering? Welke woorden hadden ze juist wel, of juist niet, durven schrijven? Welke beeldspraak kan écht niet meer, welke karaktertrekken zijn nog steeds pijnlijk relevant? Wat is zeitgeist, wat is de menselijke natuur zelf? In deze reeks vraag ik aandacht voor het korte verhaal van vroeger en hoop ik een conversatie te voeren over wat tijdelijk en wat tijdloos is.

The Colonel’s Lady

In The Colonel’s Lady van William Somerset Maugham (1874) worden voor Colonel George Peregrine tradities, mannelijkheid en – vooral – de waarheid op de proef gesteld als zijn vrouw een dichtbundel schrijft en daardoor ongekend populair wordt. Hij is goed gelukt volgens de conservatieve mannencultuur, anders dan zijn vrouw, die, zeker goed in het huishouden, een beetje saai en uitgeblust is. Maar is dat zo? Als blijkt dat de dichtbundel een wellustig geheim schuilhoudt, worden de lijnen tussen waarheid, fictie en hypocrisie steeds verder vervaagd. En misschien moet George inzien wie zijn vrouw écht is, of, andersom, wat hij zelf allemaal niet is.

Gezien het originele verhaal een hele hoop thema’s bespreekt (en aardig wat pagina’s telt – maar laat je niet afschrikken!) wilde ik de emotie vastgrijpen die ik zelf boeiend vond: de gevoelens van de conservatieve man als zijn vrouw opeens succesvoller is dan hij. Dit in de vorm van een stevig bovenmodale, rechtse VVD-stemmer, die vooral niets van al dat linkse hobbyisme moet weten. Wat is het ergste dat hem kan overkomen? 

Lees het originele verhaal:
Klik hier!

De vrouw van

1.

‘En dit is mijn vrouw,’ zei Herman, terwijl hij een hand op haar rug legde, waarbij hij de zachte stof van haar jurk onder zijn vingers voelde. Ze glimlachte stilletjes, knikte beleefd. ‘Clarice.’ 
‘Aangenaam, Pieter, Tata Steel. Herman hier heeft ons aardig geholpen met onze investeringen.’
Herman sloeg hem amicaal op de schouder. Pieter legde een hand op het achterhoofd van Herman. Daarna stootten ze de voorhoofden tegen elkaar, joelden en dronken hun glazen leeg. Herman fluisterde Clarice in het oor of ze even wat nieuwe drankjes kon halen. Clarice nam zonder iets te zeggen de glazen.
Na een paar grappen, wat jongensachtig gestoei en geboks tegen elkaars borstkassen, hadden de jongens van banking en corporate het goed naar de zin. Herman had er net een gesprek over de reïntegratie van verschillende investment funds op zitten met Harry, toen hij hem met de vuist op de borst drukte.
‘Vriend, ik moet even naar het kleine kamertje,’ stelde hij. ‘Snel meer – doe de groetjes aan Kim. Wanneer komen jullie bij ons een vorkje prikken?’
‘Zal het even aan de vrouw voorleggen,’ knipoogde Harry. 

De dichtslaande deur echode in de betegelde toiletruimte. Met de broek op de hielen wierp hij een dankbare blik op de oranje leeuw naast de pisbakken. Na het dichtritsen waste Herman zijn handen als een chirurg en bekeek zichzelf bij het rechttrekken van zijn colbertje goed in de spiegel.
Zoals het hoort, Herman, dacht hij, je doet het ondanks de jaartjes nog goed. Hij streek met een hand over zijn dunner wordende haar, dat nog geen inhammen vertoonde. Ook al was hij dan negenvijftig: hij zag er – verdomd! – nog goed uit. Zijn schouders waren breed en hij wist zijn buik in toom te houden. Al met al had hij het leven bij de hoorns genomen. Een vrijstaand huis, een baan bij een bekende bank, de sleutels van een Volvo in zijn achterzak, een labrador. Men noemde hem vaak markant, sympathiek en – natuurlijk – one of the boys. Hij werd regelmatig gevraagd als spreker, was de voorzitter van de buurtvereniging én lid van de raad van toezicht bij de plaatselijke voetbalclub, steunde zijn politieke partij en was er trots op dat hij op een niet-verkiesbare plaats voor het gemeentebestuur stond. Hij zat boven modaal, maar was een ‘gewone jongen’. Hij steunde drie start-ups met angel investments, waar hij nog steeds om de maand langsging om de jongens een handje te helpen met de financiën, een goed geplaatst advies, of gewoon een koude Grolsch – het enige écht goede pils van Nederland. Ja, dacht hij, Clarice mocht met hem in haar handjes knijpen. Daarna stak hij zijn handen in de Dyson Airblade. 

Terug in de zaal stond Clarice bij de bar. Ze was alleen, beide handen op het blad. Ze praatte met niemand en had nog niets besteld. Herman bleef even in de deuropening van het toilet staan, om zijn hulpeloze vrouw in het wild te bespieden.
Ze was ouder geworden: kraaienpootjes om haar hangende ogen, een frons tussen haar wenkbrauwen, groeven tussen haar neus en mondhoeken. Haar bruine haar had een doffe glans. Hoewel je kon zien dat ze ooit een knappe vrouw was geweest had de tijd haar ingehaald. Vroeger was hij er trots op geweest, om met de Clarice te gaan. Ze was één van zijn successen. Toen, ja, had dat gereserveerde nog wat mysterieus, nu was dat een herinnering.
Hun ogen ontmoetten elkaar, hij stak zijn hand op om haar te groeten. Ze was duidelijk blij hem te zien, zo tussen het mannelijk gedruis.
Ze boog naar hem toe. ‘Ben je al moe?’
Look alive, schatje.’
Ze zuchtte. ‘Tot hoe laat gaat dit door?’
Herman pakte haar kin met twee vingers. ‘Hé – sinds wanneer zijn wij sáái?’
‘Toe nou, Herman.’ Clarice keek weg.
Herman kuste haar op de wang. ‘Kom op, leuk doen.’
Clarice reageerde niet.
‘Voor die promotie? Dat hadden we afgesproken.’
‘Ik heb gewoon een hekel aan dit soort feestjes.’
‘Weet ik, weet ik.’
Ze legde haar hand op de zijne. Herman trok zijn hand onder de hare vandaan en legde hem bovenop. Ze kuste hem in zijn nek, hij wees naar de barman voor twee wijntjes.
‘Kom – ik wil nog even met Tycho van MT praten,’ en zonder op een antwoord te wachten leidde hij haar terug de zaal in.

2.

De deurbel ging. Herman stond morrend op van het ontbijt en begroette de puistenkop in DHL-jas. De bestelbus stond scheef op de stoep geparkeerd. ‘Pakketje voor nummer zestien,’ zei de jongen, ‘Hier even tekenen?’ Herman trok zijn vinger over het touchscreen en kreeg de doos zijn handen gedrukt. Op het label stond de naam van zijn vrouw. Meteen draaide het joch zich zonder gedag te zeggen om en stapte in de bestelbus. 
Met de rest van de post losjes op de doos liep hij terug naar de ontbijttafel. Hij nam de rekeningen, blauwe envelop en zijn twee ochtendkranten – het Financieel Dagblad en De Telegraaf – en schoof het pakket naar zijn vrouw aan de andere kant van de eettafel.
‘Deze is voor jou.’
Vanachter zijn Telegraaf hoorde hij het krakend openscheuren van de verpakkingstape, en daarna, het ene na het andere plofje op de tafel. 
‘Heb je weer boeken besteld?’
‘Ja, och,’ zei ze.
‘Heb je er niet al genoeg?’
Hij wierp een blik op de boekenkast. Die puilde al uit van de romans, biografieën en, bovenal, rijen en rijen kookboeken. Goed, hij moest het haar nageven: Clarice’s kookkunst was fantastisch. Dat gedeelte van hun huwelijk zat snor. Hij hoefde zich nooit te schamen bij het uitnodigen van de baas, een zakenrelatie of de jongens, want Clarice zette zonder omhaal een godenmaal op tafel.
Na het lezen van een artikel over klimaatactivisten die op de A12 met waterstralen bespoten waren – gerechtigheid, vond hij – gluurde hij over de hagelslag en pindakaas naar de stapel boeken. Ondanks dat hij een hekel had aan literatuur, wilde hij toch altijd weten wat ze las. Voor kerst had hij haar één van zijn favoriete managementklassiekers cadeau gedaan: Rich Dad, Poor Dad, van Kawasaki. ‘Heb ik nog veel aan gehad.’ Hij hoopte dat ze daarmee eindelijk wat degelijke materie naar binnen zou werken. Wat er op tafel lag: vier identieke kookboeken.
‘Heb je een fout gemaakt bij het bestellen?’ Hij pakte de bovenste van de stapel, een vierkant werk met een zware kaft. Hij las de titel: Vegan is fashion. Hij lachte.Ondanks de inflatie kunnen we ons nog gewoon vlees veroorloven, hoor.’ Daarna draaide hij het boek om, waar hij de zwart-witte foto zag. Hij keek op naar zijn vrouw, wiens lippen als een dunne, rechte spleet op haar gezicht lagen. 
‘Heb jij dit geschreven?’
‘Ja, dit zijn mijn recepten.’
‘Nou…’ Hij legde het boek naast hem op tafel. Wanneer had ze hier tijd voor? Hij herinnerde zich niet dat ze ooit iets ‘vega-tarisch’ had gemaakt. ‘Jij zelf?’
Clarice leunde met een zucht achterover.
‘Dat interesseert jou toch niks?’
Dat was waar, natuurlijk. Maar dan nog, hoezo had ze dat achtergehouden?
‘Mijn vrouw schrijft een boek, zoiets wil ik toch weten?’
‘Kan me niet herinneren dat je ernaar hebt gevraagd.’
Herman fronste. ‘Moet dat?’
‘Je zou eens wat over me te weten komen.’
‘Schat, na veertien jaar wéét ik toch wie mijn vrouw is?’
‘O, ja? Wist je dat ik al maanden geen vlees eet? Of eieren, of yoghurt?’
‘Sinds wanneer? We eten elke dag vlees.’
‘Jij, ja. Jij eet elke dag vlees.’
Het bleef een tijdje stil. Herman kuchte. Hij keek nogmaals naar de kaft, daarna naar zijn vrouw, die hem niet aankeek. Hij moest op zijn tellen passen, wist hij – en besloot haar wat te paaien.
‘Goed.’
‘Goed?’
‘Tover vanavond wat op tafel. Liefde gaat door de maag, toch?’
Hij pakte zijn kranten en rekeningen en begaf zich naar de schuur achter het huis. Onder het afdakje slingerde hij de zitmaaier aan en ronkte een paar maal met het benzinemotortje. Met beleid begon aan zijn zaterdagse ritueel: het bijwerken van het gazon in gelijkmatige, doelbewuste lijnen. Hij hield ervan zijn taken met discipline af te maken, om alles er piekfijn uit te laten zien, via de normale, op normen en waarden beruste verdeling van het huishouden. Zijn motto? ‘Gewoon. Doen.’, naar de slogan van zijn politieke partij. Na het opbergen van de zitmaaier sproeide hij de planten bij met de tuinslang, begroette zijn buurman tijdens het schoonmaken van de dakgoot, repareerde hij een fitting in de badkamer en timmerde een vogelhuisje in elkaar. Daarna bezocht hij sportschool, waar hij al die jonge nekken een poepie liet ruiken: hij hing aan de rekstok, liep op de band en gebruikte routineus de gewichten. Hij was goed in vorm, ondanks zijn baan, en zo hoorde dat: ‘voor de grijze massa.’

Clarice stond bij thuiskomst al in de keuken. Herman nam een hete douche, vouwde zijn kleding op en trok een joggingbroek aan. Daarna schoof hij aan tafel en trof een salade van pecannoten, rode bietjes en veldsla, plakken bloemkoolsteaks en quinoa. 
‘Lekker, schatje,’ smakte Herman na drie happen. ‘Fantastisch. Heb je dat helemaal zelf bedacht?’
Hij liet de helft liggen en stond meteen op om af te ruimen. Clarice bleef haar portie in stilte opeten. Terwijl hij de pannen in de vaatwasser zette, zei hij: ‘Het kostte toch niet te veel, hè, die boekjes?’
Clarice veegde rustig haar mond af voordat ze antwoordde. ‘Nee, het leverde een zakcentje op.’
Herman lachte. ‘Voor wie, de drukker?’
‘De uitgever heeft een voorschot betaald.’
Herman sloeg op het aanrecht. ‘Wat een bak!’
Clarice keek hem uitdrukkingsloos aan.
‘Goed, goed, ik neem er eentje mee naar de club.’ Hij kuste zijn vrouw op de wang. ‘En dan ga ik op de terugweg even langs de slager. Eten we morgen gewoon weer vlees, goed?’

3.

In de weken daarna was hij het kookboek zo goed als vergeten. Clarice kokkerelde weer zoals vanouds: slavinken, entrecotes, hamlappen, schouderkarbonades, varkenshaasjes, bavettes en tournedos. De boeken hadden een permanent plekje in de boekenkast en Clarice had haar creatieve momentje gehad. Ja, gewoon een vrouwendingetje, zoals de gebreide trui achterin zijn kledingkast, dat haakwerkje op zolder, het resultaat van de boetseercursus – links hobbyisme, als je het hem vroeg. 

Op de donderdag van de derde week zat hij in een gemakkelijke leunstoel op de golfclub over de green te kijken. Hij dacht aan zijn downswing, terwijl hij wachtte op zijn collega, een goedlachse investment manager. Vandaag gingen ze weer eens als vanouds de tee bestormen.
‘Jongen, bedankt. Echt, bedankt.’ Gerard plofte naast hem op een leunstoel. 
Herman keek naar zijn vriend. Hij dacht een besmuikt lachje te zien.
‘Waar heb je het over?’
‘Hou je niet van de domme, Jannie weet geen steak meer te braden sinds Clarice dat boek heeft uitgebracht.’
Jannie? Hoe was zij aan dat kookboek gekomen? Had Clarice er een paar uitgedeeld? Hij voelde lichte paniek; leuk, al dat hobbyisme, als die zaken van zijn vrouw achter de voordeur bleven. Hij besloot zich van de domme te houden.
‘Och, dat waait wel over.’
Gerard fronste. ‘Wil je zeggen dat je het niet wéét?’
‘Wat?’ Herman nam een slok van zijn latte macchiato.
‘God, je weet het niet, hè?’
‘Wat, Gerard?’
‘Dat boekje ligt in alle boekhandels en onderhand op elke gemiddelde keukentafel. Eén of andere influencer is ermee aan de haal gegaan. Mijn vrouw volgt een hele hoop van die wannabe-kookprutsers en ze zijn allemaal hoteldebotel.’
‘Van Clarice?’
Gerard sloeg op zijn knie. ‘Moet zeggen, ouwe reus, het smaakt niet slecht.’
‘Kletskoek.’
‘Misschien moet iemand zich wat meer voor zijn vrouw gaan interesseren.’

Herman verloor bij het golfen daarna elke slag. Of hij nou een putter of een wood in zijn handen had, hij kon niet stoppen met denken aan het kookboek, of eigenlijk: zijn reputatie. Wat moesten de jongens wel niet denken? Wat nou als zijn klanten er lucht van kregen?
Voor hij Clarice ermee kon confronteren, had hij dezelfde avond nog een vergadering van de buurtvereniging over de gemeenteplannen een nieuw sportpark in het buurtplantsoen te plaatsen. Herman had een voorstel geschreven waarin er optrekstangen geplaatst zouden worden; om zijn sportschool wat ademruimte te gunnen. De raad, die voornamelijk uit vrouwen bestond, stemde tegen, en pasten het plan aan naar van die lichaamsgewicht-machines voor oude mensen.
Na de vergadering kwam Laura – de buurtsecretaris – bij hem staan. Ze had een stralende glimlach op haar gezicht. 
‘Komt Clarice naar de barbecue? Niet doorvertellen, hoor, maar met de vrouwen hebben we besloten dit jaar helemaal vegan te gaan. Als verrassing!’
Herman stopte abrupt met het inpakken van zijn tas. ‘Komt dat puntje nog op de vergadering?’
‘Deze doen we even off record, anders leest Clarice het straks nog de notulen. Je weet hoe ze is.’
Herman knikte afwezig.
‘Maar wat denk je? Leuk, toch? Om het te vieren, natuurlijk.’
‘Om het te vieren?’
‘Dat Clarice is uitgenodigd.’
Uitgenodigd waarvoor? Het begon hem te duizelen. Wat gebeurde er toch allemaal? Maar hij wilde geen modderfiguur slaan – niet tegenover het buurtbestuur.
‘Juist, juist, de uitnodiging,’ perste hij eruit.
‘Clarice gaat het geweldig vinden. Onze Clarice, een wereldster!’
Herman sloeg vriendelijk zijn koffer dicht. Hij bedankte Laura, zwoer dat hij het stil zou houden en maakte dat hij wegkwam. In zijn auto sloeg hij op het stuur, waarbij per ongeluk de claxon afging. 

4.

Ze zat met haar rug naar hem toe haar wenkbrauwen bij te tekenen in de grote spiegel naast het bed. Hij zat zijn lakschoenen op te poetsen. Het was al een tijd stil in de slaapkamer. Herman keek naar de nieuwe avondjurk die aan de deur hing, blauw satijn met open rug. Wanneer had ze die gekocht? En ze had haar haar opgestoken – had ze het geverfd? 
‘Je wilt dus mee?’ Clarice keek hem via spiegel aan. ‘Het zijn helemaal niet jouw soort mensen.’
‘Door dik en dun, hè?’ zei Herman. ‘Als je maar niet denkt dat ik straks vega-tarisch – ofzo – word.’
Hij lachte. Als enige.
Herman draaide de dop op de smeerpoets. Hij bestudeerde zijn vrouw. Ze had één oog gesloten en tekende met haar linkerhand een dunne lijn onder het ooglid van de ander. Hij hoorde haar nauwelijks ademen.
‘Ik weet dat je niet zo van netwerken houdt,’ begon hij. ‘Je weet me te vinden, hè?’ 
Clarice zuchtte. Pas nadat ze de eyeliner met een klik weer had opgeborgen en zichzelf met de ogen knipperend in de spiegel had bekeken, zei ze: ‘Dat is lief, schat. Ik red me wel.’
Herman knoopte zijn overhemd dicht. Clarice stiftte haar lippen, maar opeens stopte ze en draaide zich om. 
‘Hou je je een beetje in?’

In de auto zag ze er ravissant uit. Ergens, diep van binnen, was Herman trots op zijn vrouw. Ze had het toch maar even geflikt. Met één kookboekje was ze deel geworden van kokend-en-schrijvend Nederland. Vanavond gingen ze naar het kookboekenbal (een initiatief van een aantal uitgevers en producenten – gezien de industrie booming was). Dat was nou Clarice. Waren ze toch uit hetzelfde hout gesneden. Maar, iets voelde vreemd: ze had hem niet gevraagd mee te gaan, nee, dat had hij zelf voor moeten stellen – ook al was het zo’n Partij voor de Dieren-bedoeling – en daarbij had ze getwijfeld. Waarom? Had hij dit niet voor haar mogelijk gemaakt? Had hij, door zich jaren voor haar bij de bank uit te sloven, niet haar de tijd gegund zich te ontplooien? Zonder hem was ze nergens geweest, ja. Goed, zodra al deze gekte overgewaaid was, bleef één waarheid staan: ze bleef zijn vrouw. Hij nam zich voor een handje boven het hoofd te houden. Een prater was ze nooit geweest. 
Het bleek minder een gala en meer een voedselbeurs. Groothandelaren, horecaconcepten en foodbelevingen waren in halve huiskameropstellingen aan de randen van de dansvloer opgesteld. Het volk was precies zoals verwacht: food-fluencers, fijnproevers, mystery guests, critici, uitgevers en pers van verschillende kranten en tijdschriften die hij niet las, en hier en daar zag hij zelfs een paar linkse politici. Gelukkig waren er ondernemers – zijn soort volk. Nadat hij bij had gekletst met de eigenaar van een succesvolle techstart-up voor contactloze bestelsoftware, waar hij onlangs nog de businesscase voor had doorgelezen, zag hij Clarice omringd worden door een paar mannen. Herman was niet bang voor kapers, niet sinds ze de vijftig voorbij was, ook al zag ze er vanavond – dat moest hij toegeven – goed uit. Een dame. Anders de rest van al dat gepeupel hier.
Hij moest zijn vrouw maar even gaan redden. Met een blended scotch in zijn linkerhand probeerde hij oogcontact te maken met zijn vrouw, of eigenlijk, de mannen. Om een ingang te vinden. De mannen zagen er, op hun eigen vreemde manier, succesvol uit. Geduldig wachtte hij op dat natuurlijke moment waarop de aandacht naar hem toe zou gaan. Maar dat moment kwam niet. Het gesprek kabbelde voort. Clarice lachte uitbundig, de twee mannen maakten geen plaats.
‘We willen er geen doekjes omheen winden, Clarice, jouw kookboek heeft ons echt aan het denken gezet,’ zei een goedlachse vent met een houthakkershirt aan.
‘Nee, écht! Jij bent hot, vriendin, he-le-maal hot,’ viel een dunne vent hem bij. Hij had grijs haar en een vierkant brilletje op. Kende Herman hem niet ergens van?
‘Ach, Rudolph,’ zei Clarice, ‘Jullie zijn té aardig.’
‘Nee, nee,’ zei de man met het grijze haar, waarna hij in de binnenzak van zijn colbertje zocht naar een kaartje. ‘Bel ons.’
Wat hoorde hij nou? Herman lachte. 
‘Ongelofelijk!’ riep hij. ‘Clarice?’
De blikken gingen zijn kant uit. Herman nam het moment om zich met een stevige handdruk voor te stellen. De mannen keken naar zijn uitgestrekte hand.
‘Clarice, wie is dit?’
‘Dit is Herman.’ Clarice legde een hand op zijn schouder. ‘Mijn man.’
‘O – de hubby, juist,’ zei Rudolph, de uitgestrekte hand negerend. ‘Leuk, leuk. Anyway, Clarice, jij bent wie wij zoeken. Voor onze nieuwe 24kitchen veganspecial.’
Herman hief zijn glas naar zijn mond, maar net voordat hij een slok wilde nemen stootte het glas tegen zijn lip, waardoor de drank over zijn kin en overhemd liep. Zijn uitgestrekte hand – waar niemand op leek te letten – hing nog steeds trillend in de lucht. De dunne vingers van Clarice drukten tussen zijn schouderbladen. Hij keek haar vragend aan, Clarice keek vanuit haar ooghoeken terug. Ze glimlachte – en gebaarde met haar lege glas of hij niet even nieuwe drankjes kon halen.