December III
Hoewel de verleiding groot is, durf ik het niet aan om te dicht bij hem te komen. Die druk op mijn gemoed legt mijn tong lam in mijn mond. Even lopen we in stilte door de uitgestorven straat. Iedereen lijkt vanavond thuis te zijn gebleven. Achter veel van de ramen branden lampen. Meestal gele eettafel- of blauwe tv-verlichting, af en toe zet een beamerprojectie met daarop een film een gehele woonkamer in het felle licht. Een enkele keer zie ik meerkleurige discostipjes over een muur glijden.
Hij loopt sneller dan ik. Om de zoveel passen moet hij er één inhouden om naast me te blijven. Ik denk aan een regel uit een gedicht dat ik een tijdje geleden tegenkwam op Instagram. ‘’Toen gebeurde het dat ik zwijgend naast hem moest lopen en moest doen alsof ik hem niet kende.’’
‘Hier in de buurt liep ik toen ook die stage,’ begin ik, om maar ergens over te beginnen.
Hij knikt en zegt verder niets. Wat doet hij hier toch? Waarom is hij gekomen?
De avond is verbazend warm, eigenlijk te warm voor een winterjas. Desondanks hou ik mijn handen in mijn zakken. In de rechter voel ik een papiertje dat ik tevoorschijn haal en bekijk. Het is een bioscoopkaartje van een Britse comedy uit de tijd dat het tussen hem en mij begon. Deze jas kan een wasbeurt dus wel gebruiken.
‘Hoe gaat het met schrijven?’ vraagt hij.
‘Goed,’ antwoord ik. ‘Wie weet heb ik binnenkort een ‘’agent’’.’ Het woord ‘agent’ spreek ik uit alsof het, in plaats van een mijlpaal, iets bespottelijks is.
Hij komt tot stilstand, draait zich naar me toe. Het gelige licht van de lantaarnpalen geeft zijn gezicht een blakende, gezonde gloed. De moedervlek op zijn lip verandert in een spleetje doordat hij begint te grijnzen.
‘Nee joh!’ roept hij uit. ‘Whoohoo!’
Hij schopt zijn voeten vooruit in een soort huppeldans. Even lijkt het alsof zijn beide benen tegelijk van de grond zijn en hij achterover gaat vallen. Als iemand die een bommetje in het zwembad maakt.
‘Ja, ja,’ mompel ik en glimlach verbaasd.
‘Dat is echt heel erg bijzonder!’ gaat hij verder. ‘Zo snel al!’
Zo jong al, bedoel je zeker, denk ik, een beetje bitter.
‘Er is nog niks zeker hoor. Het is allemaal nog heel pril en niet honderd procent zeker.’
‘En toch- Het betekent dat je mensen echt hebt geraakt.’
Als ik naar hem kijk, vliegt een vleugje opluchting door mijn buik.
‘Hoe is het daar?’ vraag ik, terwijl ik mijn jas open rits. Bijna had ik de woorden ”bij ons” gebruikt.
‘Dezelfde, welbekende, grote chaos als altijd,’ antwoordt hij.
‘Zo mag ik het horen.’
‘Al- ach ja.’
‘Ja.’ zeg ik.
We slaan een hoek om en lopen in de richting van een donker park. Als we het park in gaan, valt zijn gezicht weg in de schaduwen. We komen langs een prullenbak die, alvast uit voorzorg voor de jaarwisseling, is dichtgetimmerd door de gemeente. Onder het bankje ernaast liggen plastic flesjes, blikjes en opgefrommelde fastfoodverpakkingen.
‘Maar jullie wonen met z’n drieën dus? Jij, Sammy en Lea?’
‘Ja. Sammy, Lea en ik.’
‘Maar jullie krijgen vast genoeg bezoek.’ Hij lacht ongemakkelijk.
Ik trek een wenkbrauw op.
‘Ja hoor. Op zich wel. Hoezo?’
Hij staart naar het voetbalveld dat opdoemt aan de andere kant van het pad. De netten die aan de achterkant van de doelen hangen zijn zo wit dat ze licht lijken te geven.
‘Is het niet verdacht dat jíj hier nu bent?’ kaats ik terug.
‘Nee hoor’ antwoordt hij. ‘Er is niemand thuis.’
‘Ah.’
Ik herken de ontwijkende ondertoon in zijn stem en weet meteen dat het geen zin heeft om op uitwijding te wachten. Altijd als hij iets niet wilde bespreken, begon hij binnensmonds halve zinnen te vormen. Naast hoe ergerlijk het is, heeft het ook iets liefs. In gedachten sla ik met mijn palm tegen mijn voorhoofd.
Als ik een stap opzij moet doen voor een dikke tak op het pad, botsen onze schouders en bovenarmen tegen elkaar. Of hij het merkt weet ik niet, want door de schemer kan ik zijn ogen niet meer goed zien.
‘Laten we teruggaan,’ zeg ik. ‘Ik krijg het koud.’
‘Doe je jas dan dicht. Dalijk wordt je nog ziek.’
Ik mompelt iets, maar laat mijn handen in mijn zakken. Als ik ziek word, is dat zijn zaak helemaal niet. Dat is het nooit geweest. Alleen als alles anders was geweest had het misschien een beetje zijn zaak kunnen zijn. Een heel klein beetje. Misschien.
En toch- de kortstondige hitte van zijn lichaam tegen de zijkant van mijn lijf gedrukt. Ik krijg geen adem, ik weet het niet.
Ik ben bang dat ik hem heb veranderd in iemand die hij niet wil zijn.