Zo zou ik je niet moeten noemen, maar ik val maar gelijk met het woord in huis:
In de afgelopen driehonderdvijfenzestig dagen had ik je moeten schrijven. Bellen, opzoeken, een bericht sturen op Linkedin, iemand anders vragen of ze weten hoe het met je gaat. Die maandag in juli heb ik me teruggetrokken in mijn as, vanuit het vermoeden dat ik anders kaal zou blijven en daar had ik gelijk in, maar achteraf
is het armoede, is het kou, ‘s winters buiten te zijn gezet in een dikke trui en van die trui beroofd worden. Ik ben een dijk, maar zonder water, zonder land ben ik niet nodig.
Elkaar aankijken, daar waren we gek op. En lachen. Praten niet zo. Daarom bied ik je: een oog voor een oog. Een woord voor een woord. Dan kan je uit de voeten, maar loop je niet zomaar weg.
Toen Lieke Marsman overleed, had ik rijles en zat trillend achter het stuur. Waarom, dat zal je niet meteen begrijpen, net zoals je je af zal vragen waarom ik toen met al die andere mensen bij Suzan en Freek in huilen uitbarstte, de avond dat ze voor het eerst weer op het podium stonden. Maar je bent niet dom, zelfs een van de slimmere, dus nu je dit weet, zal je het begrijpen. Eén plus één is bij ons altijd minstens vier geweest.
Je kent vast dat gedicht van Rutger Kopland. Wat hij met jonge sla had, heb ik met verse slagroom. Heb je dat ooit gezien? Zo zacht en glad en zonder gaatjes als het nog is? Ga anders even naar de supermarkt (dat haat je, dat weet ik, maar doe het toch), zoek in je keuken naar een mixer en kijk toe zonder te knipperen.
Trein, trein, trein Parijs, Praag, Texel, Berlijn. Een paar weken geleden was ik met T. bij hetzelfde festival als een jaar eerder en ineens leek het afgelopen jaar afwezig, niet gebeurd. Alleen de man waarvan mijn tante vindt dat hij te veel praat, heeft een beetje iets van jou. Toen ik hem zonder iets te zeggen zijn wekelijkse koffie gaf, keek hij zo zacht dat ik bijna vergat dat ik de volgende dag jarig zou zijn en hij jou niet was.
Natuurlijk is het allemaal wel gebeurd, natuurlijk ook heel veel goeds en natuurlijk ben ik ineens weer erg gelukkig geweest. Twee banen, twee bodems, twee voeten steeds half op de grond. Ik mocht van jou niet haasten en zo los ik dat op. De bijnamen, de trekjes, wie wanneer moet lachen, wie wanneer de stress bij de ander in zijn schoenen schuift. Over iedereen zou ik je het liefst een middag lang vertellen. Ook met ‘’onze’’ jongens en meiden gaat het gelukkig goed door heel het land. Maar dat had jij natuurlijk allang voorzien.
En weet je nog dat je grapte dat meditatie wellicht iets voor mij zou zijn? Als ik thuiskom zit ik nu ineens op mijn dooie gemak de ketting van mijn racefiets te schrobben, vogel rustig uit hoe ik een Frans ventiel het best kan draaien en raak maar mild geïrriteerd als ik anderhalf uur bezig ben de buitenband weer tussen de velgen te krijgen. Zeg ‘’merci’’ tegen je ventiel, zou je waarschijnlijk zeggen.
Lieveling, ik ben weer wie ik was toen ik de deuren en de ramen openzette en op pad ging als een bijziende vogel die net een zonnebril op sterkte heeft gekregen. Duizelig word ik nog steeds van de verkeerde mannen, al weet ik steeds beter wanneer ik mijn oren en palmen zou moeten sluiten. Te koppig en te grof ben ik gebleven, grof misschien nog wel meer, omdat ik er te weinig erg in heb dat niet iedereen altijd van alles een grap maakt, maar anders dan bij jou zijn die dingen nog geen schande. Nog niet. Onhandig wel en ik moet er vanaf. Lach niet dat het andermans probleem is, want dat is het niet en dat weet je dondersgoed.
Nou goed, waar ik naartoe wil: Het spijt me. Vertel me alles. Het meest.
Maak je om mij in ieder geval geen zorgen en kom langs.