IV

Tegen de tijd dat ik klaar ben in het douchegebouw is de laatste pendelbus geleegd. Bij het rijtje campers naast de weg zitten mensen aan opklapmeubilair te borrelen. Op tafel liggen opengescheurde zakken chips en staan flessen wijn en bier. Aan wat ik opvang van het gesprek hoor ik dat ze elkaar niet allemaal kennen. Want waar kom jij vandaan? Was het ver rijden dan?

Dat ze deze dingen nog niet over elkaar weten en wel al bij elkaar op het veldje zitten, vind ik wonderbaarlijk. Wat zou er gebeuren als ik vraag of ik er bij mag komen zitten? Hoe zouden ze reageren op het verhaal van het koppel in de bus?Ik vraag het niet en loop door naar de tent, naar Teddy. 

De weg buigt af. Ik passeer het veldje van de groep Duitsers die we ‘s ochtends tijdens het ontbijt uitvoerig hebben zitten bestuderen. Twee mannen, drie kinderen, drie tenten, twee auto’s. Was het één gezin? Twee gezinnen? En wie hoorde dan bij wie?

Inmiddels is het begonnen te onweren en zijn de pijpen van mijn spijkerbroek doorweekt.  Af en toe schiet een lichtflits als een zoeklamp door de lucht. Waar is onze tent toch? Ben ik de verkeerde kant op gelopen? Zo veel lijken de rijen tenten en caravans toch niet op elkaar in het donker? 

Ik besluit naar het hoofdgebouw te gaan om onder het afdak te schuilen en Teddy te appen dat ik haar niet kan vinden. De hele dag al is ze panisch over het naderende onweer. Volgens haar zullen we worden geëlektrocuteerd en halen we de ochtend niet meer. Misschien heeft ze de tent verplaatst zodat we niet meer onder een boom staan? 

Als ik de kleine parkeerplaats op loop zie ik nog net hoe ze in haar kleine, blauwe auto stapt. De tent ligt in een opgepropte hoop op het dak. Van de hoes is geen spoor te bekennen. Regen sijpelt in de naden van het doek. Ik blijf op het campingpad staan, precies op het punt waar het grind over gaat in asfalt. Teddy start de motor, rijdt naar achter en gaat recht op de uitgang af. De slagboom aarzelt een seconde, gaat dan toch omhoog. Bij de bushalte slaat ze af en verdwijnt uit het zicht. 

Mijn eerste gedachte is dat ik nu de camping af kan struinen, langs de borrelende kampeerders, langs de brutale jongens, dat ik zelfs het koppel zou kunnen gaan zoeken, zonder dat te hoeven verantwoorden. Niet dat ik nu niet meer weet hoe ik morgen thuis kom.

Terwijl ik terug het terrein op ga worden mijn haren, mijn kleren en mijn gezicht natter en natter, tot het is alsof ik zelf van water ben gemaakt.