Vijf essays over films met boze introverten

35

Rundskop

Laurens M. Besselsen
De reflectie van de rode achterlichten van een auto op natte golfplaten

“…omdat alles daar is blijven steken.
Daar, diep in de velden,
onder de bomen en de bladeren,
voor jaren en jaren.”

Kijk hoe hij daar staat: hoofd naar de grond gericht, frons in zijn gezicht gebeiteld, schouders naar voren en een beetje in elkaar gedeukt. Zijn armen hangen langs zijn lichaam — niet slapjes, maar alsof stalen spijlen ze op hun plek houden.

Een spanning houdt hem, of iets in hem, in toom. Zijn lichaam staat op springen, maar probeert zich tegelijkertijd met alle kracht voor dat openbarsten te behoeden.

*

De spanning die zich, vanuit mijn buik, in rechte lijnen door mijn lichaam uitstrekt en me belemmert vrij te bewegen.

Het trillen van mijn handen, waardoor het nauwelijks lukt de koffie naar mijn mond te brengen en ik vergeet wat ik wilde zeggen.

Mijn ademhaling die zo kort en onregelmatig is, dat ik mijn gedachten niet kan ordenen.

Het lijkt soms alsof mijn lichaam me losrukt uit de ruimte en met geweld in een cocon wikkelt waar alleen die spanning is, alleen dat trillen en alleen dat ongelukkig ademhalen.

*

Matthias Schoenaerts speelt in Rundskop, een film van Michaël R. Roskam, de rol van Jacky: een jonge veeboer die handelt in illegale hormonen om koeien mee op te pompen. De politie, die onderzoek doet naar de hormonenmaffia waar Jacky in verkeert, geeft hem de bijnaam ‘Rundskop’. Dat is niet voor niets: kijk naar de hals die verdwijnt in zijn brede schouders, de dikke neus, de strakgespannen spieren in zijn benen en armen. Bovendien bulkt hij net als het vee dat hij houdt letterlijk van de testosteron. Die spuit hij bij zichzelf in — op doktersadvies — sinds een verstandelijk beperkte jongen hem als kind met een steen castreerde.

Het is duidelijk dat Jacky meer hormonen inspuit dan nodig (als het doktersadvies al niet lang en breed verlopen is). Ter compensatie van de mannelijkheid die hij als kind verloren zou hebben — de belangrijkste vraag die zijn moeder na het ongeluk heeft is: ‘Wordt hij nu een homo?’ — heeft hij een kunstmatige, karikaturale mannelijkheid om zich heen gebouwd.

Jacky is verliefd op Lucia (Jeanne Dandoy), maar het lukt hem niet op een normale manier contact met haar te maken. Hij is zo horkerig, zo stug. Zijn kaken zo stijf op elkaar dat zijn lippen geen aardig woord meer kunnen vormen; zijn van de steroïden opgezwollen oogleden verdrukken een zachtheid die alleen, en nog net, in zijn waterige ogen waarneembaar is.

*

Waar het lichaam van Jacky groot, gespierd, intimiderend is, is dat van mij slank en fragiel. Waar Jacky zich vetmest, heb ik moeite met voldoende eten. Toch zie ik, als ik naar Jacky kijk, iets van mezelf. In onze lichamen heerst een spanning die ons belemmert.

Wat is die spanning?

De angst niet goed genoeg te zijn — een angst zo krachtig dat het een overtuiging is — die samenvalt met de angst niet mannelijk genoeg te zijn.

En de belemmering?

De spanning belemmert kwetsbaarheid, en het lichaam bewaart vervolgens wat in die kwetsbaarheid aan de oppervlakte had moeten verschijnen. Daar fermenteert wat ongezegd is gebleven, tot het verhardt en een alternatieve weg naar buiten vindt (want het móet naar buiten): bruut geweld.

In zijn laatste poging met Lucia contact te maken, weet Jacky niet beter dan haar deur in te trappen.

*

Hoe vaak ben ik niet voor homo of janet uitgescholden, of zelfs voor vrouw aangezien (‘Zo, ik wist eventjes niet of je een mannetje of een vrouwtje was’). Wat ik daaraan overhoud is een gevoel niet mannelijk genoeg te zijn, maar dat is iets anders dan een intrinsiek verlangen om mannelijker te zijn. Als twaalfjarige werd ik bang van het haar dat plots overal op mijn lichaam groeide. Ik ben me gaan schamen voor mijn slanke postuur, maar heb nooit breed willen zijn. In het bijzijn van haantjes voel ik me tekortschieten, zonder te verlangen zoals hen te zijn.

Ik heb ook nog nooit een deur ingetrapt. Wat ik van mezelf in Jacky zie, is een schrikbeeld. Het lukt me niet om mij mannelijker voor te doen dan ik ben, maar dat is ook omdat het niet hoeft: voor de mensen die me dierbaar zijn — die geduldig hebben gewacht tot de spanning kneedbaar werd — volstaan minder masochistische vormen van man-zijn.

Jacky groeit op in een bikkelharde omgeving waar een dierlijke mannelijkheid de maatstaf is. Het is de vraag of Jacky wél een intrinsiek verlangen naar mannelijkheid heeft, of ook alleen een angst van zijn omgeving heeft geïnternaliseerd. Wat als hij een gevoel van eigenwaarde had kunnen ontwikkelen die niet met bruutheid opgeëist hoefde worden? Wat is het in hem dat fermenteerde tot geweld? Wat is het waar we alleen in zijn zachte, waterige ogen een spoor van zien? Wat stoot hij af door uit te zetten?

‘Er klopt iets niet,’ zegt Jacky telkens, ‘er klopt iets niet.’ Maar wat er niet klopt, daar kunnen we alleen naar gissen. Er is niemand die het hem vraagt.