Vijf essays over films met boze introverten

25

Manchester by the Sea

Laurens M. Besselsen
De reflectie van de rode achterlichten van een auto op natte golfplaten

“What the fuck are you looking at me for?”

In het naamloze hoofdpersonage van Drive zie ik een vorm van introversie waarvan ik zou willen dat ze de mijne was. Zijn schuwheid is niet ongemakkelijk maar mysterieus, zijn stem niet onverstaanbaar maar van een erotische schorheid die een stilte afdwingt waarin ze altijd gehoord wordt. Een introverte zelfzekerheid. Wat je noemt: cool.

Maar dan heb je ook het hoofdpersonage van Manchester by the Sea (een film van Kenneth Lonergan): Lee Chandler (Casey Affleck) is stug, in zichzelf gekeerd, zwijgzaam zonder meer. En weemoedig.

Wat is weemoed?

De wil om te verdwijnen, maar zonder het willen. Je overgeven aan stilletjes weggevaagd worden. Een langzame, terugtrekkende beweging die je zelf niet maakt. 

Ik kan mijn weemoed en introversie soms moeilijk uiteen houden (maar misschien hoeft dat niet). Introversie zou een symptoom van weemoed kunnen zijn, maar mijn weemoed ook de vereeuwiging van mijn introversie. Beide zetten je op een afstand van de wereld en beide willen die afstand opheffen, maar waar introversie dat in het ideale geval bereikt door hem te overbruggen, wil weemoed je wegvagen zodat er geen twee punten meer zijn waartussen een kloof kan bestaan.

*

Lee Chandler is een gescheiden dertiger die een tamelijk onzichtbaar leven leidt als conciërge in Quincy, een buitenwijk van Boston. Behalve zijn baan is er niets dat hem met deze plaats bindt: zijn familie woont in Manchester-by-the-Sea, een dorp van net vijfduizend inwoners op een paar uur rijden.

Tot voor kort speelde ook Lee’s leven zich in Manchester af. Hij vlucht naar Quincy nadat zijn kinderen omkomen in een huisbrand en zijn vrouw Randi (Michelle Williams) hem niet meer wil zien. De oorzaak van de brand was een slordigheid van Lee: straalbezopen vergat hij het scherm voor de houtkachel te plaatsen en vertrok, terwijl zijn gezin sliep, naar de nachtwinkel voor een nieuwe voorraad bier. In zijn afwezigheid vatte het huis vlam.

Wanneer Lee’s broer Joe (Kyle Chandler) aan een hartziekte overlijdt en diens tienerzoon Patrick (Lucas Hedges) onder de voogdij van Lee komt te staan, keert hij voor het eerst terug. Dat is niet alleen pijnlijk door de herinneringen die Manchester bij hem oproept, maar ook omdat de inwoners van het kleine dorp hem en de brand niet vergeten zijn. Overal waar Lee komt, wordt hij nagekeken: “Lee Chandler? Is that the Lee Chandler?”

Wat me fascineert is de manier waarop de weemoedige Lee reageert op mensen die hem nastaren. Wanneer hij opmerkt dat twee zakenmannen in de kroeg over hem praten, stapt hij naar ze toe en mept ze in elkaar. Wanneer hij een woordenwisseling heeft met zijn neef en een voorbijganger roept: “Great parenting!” moet zijn neef hem tegenhouden om de man niet op zijn gezicht te timmeren.

Als ik met mijn hond wandel, is mijn grootste angst dat iemand op straat wat van me vindt. Ik word angstig als iemand, ook al is het maar kort, naar me kijkt. De straat is als het speelplein, waar je nooit weet of iemand je vriend wil zijn of erop uit is je te vernederen. De veilige keuze is om een vijandige blik te veronderstellen en je uit voorzorg af te wenden. Als ik iemand dreig te kruisen, steek ik over — tenminste, als aan de overkant niemand loopt. Het liefst zou ik helemaal verdwijnen.

En toch kan ik, net als Lee, op hetzelfde moment een intense woede voelen. Waarom wil ik enerzijds in lucht opgaan, en moet ik anderzijds de neiging onderdrukken om iedereen die even naar me kijkt op z’n gezicht te slaan?

Mijn therapeut zegt dat je liever liefde of haat moet willen ontvangen dan onverschilligheid. Niets is erger dan onverschilligheid. Maar weemoed ís onverschilligheid en ze wil die onverschilligheid ook terugkrijgen, wat zoveel betekent als: niets terugkrijgen. Als iemand je nakijkt, wat van je vindt, is dat een confronterende herinnering aan het feit dat je er nog bent, een boodschap aan de weemoed dat hij nog niet in zijn missie is geslaagd. Dat maakt je kwaad.

Maar woede is een emotie die weemoed niet kan tolereren. Ze heft de onverschilligheid op die aan de basis van de weemoed ligt, en daarmee — voor zolang ze duurt — de weemoed zelf. Door boos te worden neem ik ruimte in die mijn weemoed juist wil opgeven.

Anders dan bij Lee, vindt die boosheid niet een weg naar buiten (tenminste, niet meteen). Ik kom uit een conflictvermijdende familie, die liever wegduikt dan vecht, die dat ook de nobele keuze vindt. Dat komt de weemoed goed van pas. Hij doet aanspraak op mijn lafheid, die zich vermomt als moreel compas, en houdt de strak gespannen vuist verborgen in de diepe zakken van mijn winterjas. ‘Later,’ zegt de weemoed, ‘later komt je moment.’

En komt dat moment?

Altijd thuis, altijd met de deuren dicht.

Hoe ziet het eruit? 

Het stukslaan van een spiegel, een kopstoot tegen de badkamerwand.

*

Maar ook het geweld van de minder conflictvermijdende Lee weet weemoed zich uiteindelijk toe te eigenen. Tegen het einde van de film zit Lee aan de bar in een kroeg. Wanneer hij zich omdraait om op te staan, stoot iemand hem per ongeluk aan. Er lijkt niet zoveel aan de hand. De man biedt zijn excuses aan, en Lee aanvaardt ze. Twee tellen later slaat Lee hem met de vuist in zijn gezicht en nog twee tellen later wordt Lee door vijf woeste mannen omsingeld en neergeduwd.

Anders dan Lee’s eerdere erupties van geweld, komt deze op mij over als een vorm van zelfdestructie. Alsof hij alleen het gevecht opent om zelf in elkaar geramd te worden.

Je geeft iemand een klap en er vormt zich een kring om je heen. Voor het eerst maak je ergens deel van uit. Je vijanden eren je door je met hun laarzen te vertrappelen. Elke schop die je voelt is tegelijk de pijnlijke herinnering dat je er nog bent, en de belofte, of tenminste een token van hoop, dat er een schop zal volgen die je niet meer voelt.

Je vecht pas terug wanneer ze dreigen te stoppen.