In de kijker: tien schrijvers laten zich inspireren door elkaars foto
Wie Verlicht Wordt
Jaap BlankespoorTijdens de afgelopen Vuurlanddag namen alle Vuurlanders een foto mee en gaven die door aan elkaar, zonder erbij te vertellen wat het verhaal bij de foto was. In deze reeks lees je welke teksten ze bij de voor hen onbekende foto hebben geschreven. Deze week: Jaap Blankespoor schrijft een verhaal bij de foto van Anouk Bosch.
*
Wie Verlicht Wordt
Vlak voor de kust hebben zich ongeveer twintig mensen verzameld. Levi loopt vertwijfeld het strand op. Doornen en distelen hebben zijn schenen opengehaald.
‘Kom maar, jongens. Het moet nu in een keer goed gaan,’ klinkt het vanuit zee. Het water draagt de stem naar Levi. In de verte ziet hij een vrouw staan. Het is mevrouw Melissen. Ze heeft lange grijze lokken. Naast haar dobbert een witte cabine-vormige kap. Achter haar reiken meerdere lichtkruizen boven het water uit. Van een afstandje lijken het windmolens, maar deze zijn anders: deze hebben vijf propellers.
‘Opstellen allemaal,’ roept mevrouw Melissen, ‘het water is nu gunstig.’
De groep vormt een grote kring. Ze houden ofwel elkaars handen vast, of dragen een stuk wrakhout. Aan de houten planken en latten zitten touwen gebonden. De uiteinden zijn aan de kap vastgemaakt. Levi’s enkels zijn opgezwollen. Rechts ziet hij wat zonderlingen in het zand zitten. Een laken wappert om zijn middel.
‘Concentratie allen! Te water!’ schreeuwt Melissen naar de kant.
De groep loopt naar de branding. Een tenger meisje, Sandra, wordt met een zwaai op iemands nek genomen.
‘Halt op jullie plaatsen!’
Op commando gaat de hele groep het water in. Iemand tilt de kap over Sandra’s rode hoofd.
‘5, 4, Rust… 3, 2. Let op, Sandra… Duik!’ schreeuwt mevrouw Melissen.
De groep gaat synchroon naar beneden. Kort daarna komt het touw op spanning en wordt de kap naar beneden getrokken.
‘Je bent nieuw zeker?’ vraagt Bob, terwijl hij Levi aanstoot. Hij heeft het tafereel van een afstandje waargenomen.
Levi knikt.
‘De ingangen zijn zo diep dat je er alleen op je eigen adem niet komt,’ zegt Bob. Hij heeft gebarsten lippen. Levi zag hem zojuist nog bij de zonderlingen zitten. ‘Als ze met z’n allen de cabine naar beneden drukken, ontstaat er een luchtbel. Daarmee kunnen ze haar veel dieper naar de ingang brengen.’
Na een minuut of twee komt de groep weer boven. Ze happen naar adem. Sandra hangt levenloos in de armen van een oude man. Ze wordt naar de schaduw van een rotspartij getild. Ze spuugt water uit.
‘Gebeurt vaker hoor,’ zegt Bob. ‘Ze hebben pas laat door of er wel of geen lucht in de kap zit.’
Levi gaat in het aangrenzende groen van de duinen zitten. Hij frommelt wat aan het laken dat telkens van zijn heup schuift. Er zitten grote brandvlekken op het linnen.
‘Ik denk dat ze het wel redt. Je moet ergens door de grens heen, anders haal je het sowieso niet,’ zegt Bob. Hij gaat in kleermakerszit naast Levi zitten.
‘Hoe ben jij hier zo snel gekomen?’ vraagt Bob. Op zijn voorhoofd heeft hij een typische V-vormige hoofdlamp. De meesten hier hebben er zo een.
‘Geluk gehad, denk ik. Als ik dit had geweten, had ik niet zo gehaast,’ antwoordt Levi.
‘Je komt van het noorden toch?’ vraagt Bob, terwijl hij op Levi’s borstvlak klopt.
‘Het bos was verschrikkelijk,’ mompelt Levi. ‘Mijn eerste lichtkruis hield er veel te snel mee op. Ik kon geen platform vinden. Toen ben ik op een silo geland.’
Als de avond valt, vormen er zich meer groepjes aan de rand van de duinen. In het zand worden reststukken ingegraven tegen de wind. De grote groep met veelal ouderen stookt een vuur. Het lijkt niet goed te gaan met Sandra. Ze heeft meerdere keren overgegeven.
Tuut! Tu-tu-tuut!
Een voor een klinkt er een scheepshoorn uit de verschillende lichtkruizen.
‘Kom,’ zegt Bob. Hij loopt voor Levi uit. Het teruggetrokken strand is hard en vochtig. Er zijn verschillende rotsen tevoorschijn gekomen.
‘Niemand durft in het donker het water in, terwijl de platformen juist dan beter te bereiken zijn.’
Levi twijfelt. Hij heeft geen mensen gezien met dezelfde keellamp als hij.
‘Je licht kan er echt tegen. De lampen zijn gemaakt voor momenten als deze,’ zegt Bob. ‘Als er iets is, moet je fluiten.’ Hij laat zich voorzichtig in het water glijden. Bob heeft een trage, maar effectieve zwemslag.
Levi staat tot zijn navel in het koude water. Hij geniet van de echoënde slagen van de propellers. Het volgende moment ziet Levi Bob onder water verdwijnen. De eerste meters ziet hij nog een lichte vlek door de golven glijden, daarna wordt het donker.
‘Als ik mijn leven aan U zou geven, zou U mij dan in Uw armen nemen?’ neuriet Levi bibberend. Het witte licht van de lichtkruizen schittert op het wateroppervlak. Hij denkt aan zijn vorige lichtkruis, dat met de roterende lichten en de korte stuurpen. Hoeveel sneller zullen deze zijn?
Ver van Levi verwijderd zwemt Bob meters onder water. Om de ingang van het voorste lichtkruis zitten grote bossen zeewier vergroeid. Hij ziet een hoofdlamp die in het groen is achtergebleven. Even verder ziet hij een afgebroken propeller de ingang blokkeren van de volgende.
‘Kom er uit, nu!’ schreeuwt mevrouw Melissen. Levi schrikt op uit gedachten. Van het strand komt iemand richting het water gesneld.
Hij blaast door zijn bibberende lippen. Er komt geen geluid. Levi worstelt zich verder de zee in. Misschien kan hij het daar nog eens proberen. Hij slikt meteen water in. Met het houten tuigje gaat het zwemmen amper.
‘Wakker worden!’ roept mevrouw Melissen richting de groep. Levi draait zich op zijn rug. Opnieuw probeert hij zijn lippen te tuiten, maar er komt geen geluid uit.
Aan de rand van de duinen lichten meerdere hoofdlampen op. Ze worden steeds groter. Levi bereikt al spartelend het voorste lichtkruis. Hij spreidt zijn armen zo wijd mogelijk om de ronding, maar hij krijgt geen grip. Zijn hoofd verdwijnt meermaals onder water. Telkens veert hij terug omhoog door het houten borstvlak dat niet onder water blijft.
Meerdere mensen van de groep hebben zich over het strand verspreid.
‘Houd ook rechts dicht!’ commandeert Melissen. ‘Hij houdt het niet lang meer vol.’
Een paar zonderlingen zijn wakker geworden van het tumult en moedigen Levi aan, maar het baat niet. Levi heeft nog amper energie om aan de kant te komen. Hij komt half struikelend het water uit. Een oudere man trekt Levi verder het strand op.
‘We hebben vandaag bijna iemand verloren en meneer denkt er gebruik van te maken?’ vraagt mevrouw Melissen. ‘Hebben we niet genoeg ellende gehad?’
De groep knikt instemmend. Levi blaast. Eindelijk komt er geluid van tussen zijn lippen.
Ondertussen komt Bob aan de achterkant van het platform boven om adem te halen. Hij schrikt van zijn weerkaatsende V-lamp op het metaal; denkt even dat iemand met hem is meegezwommen.
‘Het is onmogelijk om zo snel vanuit Dralingen hier te komen. Je hebt niet voor niets een houten tuig. En dan meteen ’s nachts een lichtkruis innemen, wat denk je zelf?’ vervolgt Melissen.
Levi zoekt Bob in zee. Niemand. Bob hoort wel vage geluiden van het strand, maar er is vaker gedoe. Zonderlingen die zich de groep in proberen te praten, pijnlijke brandwonden die opspelen door de nachtkou. Of simpelweg mensen die zich afvragen hoe lang het nog duurt voor ze eindelijk een lichtkruis kunnen bereiken.
Opnieuw duikt Bob bij een ingang naar beneden. Hij tast de zijkanten af en zwemt naar binnen, dit keer gaat het gemakkelijk. Hij wordt een beetje naar binnen gezogen. Met een schokkende beweging sluit de ingang. Bob laat lucht uit zijn longen.
‘Kijk me aan als ik tegen je praat! Denk je dat de Koper zomaar iemand toelaat?’
Levi schudt zijn hoofd. Nogmaals fluit hij. Het is nog maar zwak.
‘Sta op,’ zegt mevrouw Melissen kalmpjes. Ze gebaart dat de kap mee moet. Levi wordt door de groep terug naar zeewater geduwd. In de schittering van een lichtkruis ziet hij een wild zwaaiend silhouet. Het is hem gelukt! schreeuwt Levi van binnen.
‘Kijk!’ wijst Levi.
Mevrouw Melissen volgt zijn vinger. Levi kijkt opnieuw, maar het silhouet is verdwenen.
