Mia’s ogen waren zo dof dat ik alleen uit haar knipperen herleiden kon dat ze nog in leven was. Ze leek rustiger dan ooit. 

‘Wat ligt ze er prachtig bij hè, zo in haar mand?’ vroeg je. 

‘Ja, pap,’ antwoordde ik zachtjes met een cynische ondertoon. 

Aan je toon hoorde ik dat je de vraag vooral aan jezelf stelde. Welk antwoord ik ook gegeven zou hebben, het had je niets uitgemaakt. 

Je rookte een sigaret met het gemak van iemand die al decennia rookte terwijl je vanaf de bank naar de televisie staarde. Het rotten van je tanden was misschien wel de beste aanwijzing voor je tabaksverslaving. Ik staarde naar je ietwat dikke vingers die zachtjes op een halfvol glas jenever tikten. Als iemand die zich in zat te houden, wachtend op een interne explosie. 

Nadat je een tweede hijs nam en de rook uitblies, moest ik hoesten. Mijn ogen begonnen te irriteren en te jeuken, waarna ik met de zijkant van mijn pink in mijn ogen wreef. Ik wist precies hoe je zou reageren; na twintig jaar kon ik al jouw handelingen uittekenen. 

‘Ach man, stel je niet zo aan,’ zei je. ‘Vroeger rookte iedereen, mijn vader rookte aldoor en toen ik twaalf was kreeg ik mijn eerste sigaret. En kijk nou naar die hond, die heb er helemaal geen last van. Jij was in dat opzicht als kind al een lastpost.’

Zijn Amsterdamse tongval klonk enkele seconden na in mijn hoofd. We keken beiden naar de hond die roerloos in zijn mand bleef liggen. De sigarettenrook deed hem inderdaad niets. Zijn witte snoet kondigde ouderdom aan, ik vroeg me af of hij als puppy bedacht had dat het leven hem niet ver buiten de grenzen van dit woonerf zou brengen. 

Het journaal was afgelopen, een oude westernfilm werd ingestart. Bij het zien van de titel lichtte je gezicht op; het was je favoriete film. Je zei dat je uitkeek naar de kogels van Clint Eastwood en zijn souplesse. Een voorbeeldige man noemde je hem, een echte kerel zoals die vandaag de dag niet meer geboren worden. Ik schrok. Niet omdat je idolaat was van een vieze seksist. Je hield elke keer als we de film zagen exact hetzelfde verhaal op, maar had telkens de naam van Henry Fonda genoemd in plaats van die van Clint Eastwood. Zonder woorden uit te wisselen keken we naar de trage schietscènes, al luisterend naar een mondharmonica die geregeld klonk op de achtergrond van het woestijnlandschap in Arizona. 

‘Pap, het is drie uur,’ zei ik.

‘Tijd voor nog een borreltje,’ zei jij nonchalant terwijl jij een leeg glas vasthield.

‘We hebben het hier al over gehad en’, zei ik.

‘Het is toch mijn hond, ik heb veertien jaar voor die hond gezorgd, mag ik dan Godverdomme bepalen wat ermee gebeurt? Jij bent weg, je moeder ook, iedereen is verdwenen, die hond is het enige wat ik heb.’

Jij onderbrak me en schreeuwde zo hard dat mijn hart een slag miste. Hoewel zijn leeftijd het grootste gedeelte van zijn energie uit zijn fragiele lichaam gezogen had, was hij nog steeds in staat om voor een seconde of drie te veranderen in de krachtige man die mij vroeger angst kon inboezemen. 

De hond blafte, waarna je bedaarde en er dertig jaar toegevoegd leek te worden aan je lichaam, gezicht en geest. Je werd weer een oude man, de oude man werd zichzelf. Timide trok je weg in je stoel.

‘Pap, we hebben het hier al eens over gehad. We zouden de hond wegbrengen, het kan zo niet langer. Soms moet je wat je hebt inleveren.’

Zwijgend keek je Mia in de ogen, hopend op een signaal, een teken, iets waaruit bleek dat ze dankbaar was voor de jaren die jullie gedeeld hadden. Er was niets te zien. Haar ogen bleven even dof, sentimentloos als eerst. Toen een kogel de rug van Henry Fonda trof en hij neerviel, draaide Mia haar hoofd om, ze staarde naar de televisie. Kennelijk kon de hond voor veertien jaar samenzijn minder aandacht opbrengen dan voor een vergeten acteur. 

‘Wat is het een klotehond!’

Je zette een glas op de tafel en sprong uit je stoel. Ik wist wat er ging komen en stelde me al jouw handelingen voor, nog voordat je haar vijf keer tegen haar lijf en kop schopte. Ze kreunde, huilde en probeerde iets van verzet te leveren door zich vast te klampen aan jouw schoen. Maar het verzet van de hond was bij voorbaat al gebroken door de pijn die zich in de afgelopen veertien jaar had opgehoopt in haar lichaam. Ik voelde dat ik moest ingrijpen, maar kon het niet, ik voelde teveel medelijden met je. Je had jezelf zo afgesloten van anderen dat het je zwaar viel om iets van hen te begrijpen, misschien begreep je daardoor nog wel minder van jezelf. 

Mia kermde zachtjes van de pijn toen ze achterin de auto zat. 

‘Nog even,’ zei ik toen we dierenasiel naderden.