Zet een kaars voor je raam vannacht

Chard van den Berg

Mijn tante kijkt naar het televisiescherm, ze kauwt op wat pinda’s. Met veel aandacht luister ik naar hoe haar tanden tegen de nootjes aan slaan, hoe haar speeksel zich met de pinda’s mengt en hoe ze doorslikt. Ze eet zo gulzig dat er wat pindarestjes in haar mondhoeken belanden en bij haar neus, die staat een beetje scheef. Zolang ik haar ken. 

‘Het is oké tante, om emoties te tonen,’ zeg ik terwijl ik naar de rouwkaart staar waarop de naam Theo de Nijs prijkt. ‘Drie dagen is kort, de begrafenis is nog maar net geweest.’

Ik moet denken aan de tijd die ik bij haar ben, negen uur. Ze heeft aan negen uur te weinig om ook maar een beetje te snikken om de man die 45 jaar de hare was. Haar lippen pruttelen, ze staat op het punt om iets te zeggen. Plots, na het horen van een nieuwsaankondiging, draait ze haar gezicht om. Een of andere zanger is ziek. Toch kan ik mijn gedachten niet van ome Theo afhouden. Ik denk aan die ene keer dat ik bij mijn tante en bij ome Theo logeerde in hun zomerhuisje in Friesland. Hoe hij zijn groene vissersbootje krachtig het meer in duwde, hoe hij me te midden van de golfjes leerde dat een dobber onder water beet betekende en dat je een vis, nooit, maar dan ook nooit moest teruggeven aan het meer. Ik staarde naar onze hengels die vlak naast elkaar waren uitgegooid, naar onze dobbers. De zijne ging omhoog en omlaag. De mijne dreef stilletjes op het water.

‘We denken dat alles het recht heeft om in leven te blijven, alleen omdat alles ooit geboren is,’ zei mijn oom serieus, terwijl hij de vis binnenhengelde. ‘Geboorte geeft je de mogelijkheid om te leven, niet het recht.’

Diezelfde avond grilde hij forel. 

‘Ome Theo,’ mijmer ik. ‘Mooie man, zelfs nu, klinken zijn woorden onaangetast in mijn hoofd. Mooie man, ome Theo.’

Ineens drukt mijn tante haar wijsvinger en duim tegen haar neusbrug. Ze zucht en ademt diep in en uit. In een reflex sla ik mijn arm om haar schouder, waardoor de v-hals van haar shirt uitrekt en haar harde sleutelbeen zich voor me openbaart. Er zitten kleine krasjes op haar sleutelbeen, ze worden groter naarmate ze dichterbij haar schouder komen. Ik wil meer zien van de littekens, wil haar v-hals verder uitrekken. Maar ja, sommige dingen zijn nu eenmaal raar om te doen bij je tante. 

‘Het is oké,’ zeg ik. ‘Het is oké, laat het gaan. Het verlies van iemand is hard.’

‘Hij leeft nog!’ antwoordt ze bozig. 

Ik knik, mijn hart slaat een slag over. Ik adem hard, het verdriet is nog vers. 

Ze zet RTL 4 af en schakelt over naar de radio. De disjockey kondigt een nummer met een rare titel aan, Banger Hart of zoiets. De disjockey vertelt dat de zanger ziek is, hij heeft Parkinson. Zijn naam zegt me niets, waarna ik hem direct weer vergeet. Terwijl mijn tante zachtjes meeneuriet op het opbeurende melodietje, moet ik wederom aan ome Theo denken. Aan zijn grote, stevige lichaam, zijn handruggen die volledig onder de schrammen en littekens zaten. ‘Veertig jaar houthakken en vissen, dan krijg je dat,’ zei hij, terwijl hij lurkte aan zijn sigaar en wat muziek van Johnny Cash draaide. Mijn oom was meer man dan iedereen die een piemel had, meer man dan iedereen die wenste een man te zijn, meer man dan ik.  

‘Ik heb zoveel aan Rob, Rob de Nijs gehad,’ zegt mijn tante zuchtend. ‘Hij was er altijd.’

‘Je man heette Theo, Theo de Nijs hoor,’ antwoord ik geschrokken. 

Mijn hartslag versnelt, tante is zo verward dat ze de naam van mijn oom vergeten is. Zou ze nog weten wie er naast haar op de bank zit, zou ze zijn vergeten wie ze zelf is? 

‘Waar heb je het over?’ roept ze bozig. ‘Niet iedereen die de Nijs heet, heet Theo.’

Ze slikt en staart naar de grond. Op de een of andere manier slikt ze anders dan normaal, harder. Veel harder. 

‘Ik wil zijn naam niet meer horen.’

‘Wiens naam?’

‘Die van je oom,’ antwoordt ze met een ietwat kunstmatige, zware stem. 

‘Theo bedoel je?’ 

‘Exact, laat dit dan de laatste keer zijn.’

‘Maar waarom?’

‘Heb jij je nooit afgevraagd waarom ik een scheve neus heb?’ vraagt ze. ‘En na afloop, nadat mijn neus bloedde of mijn lichaam onder de plekken zat, riep hij altijd, geboorte geeft je geen recht om te leven, of weet ik veel waar die krankzinnige het over had.’

We kijken naar het televisiescherm, maar eigenlijk kan ik alleen de handen van oom Theo voor me zien. Ik kan, wil, het me niet voorstellen dat zijn sterke, viriele handen mijn tante pijn deden, dat zijn handen meer voor mijn tante waren dan van hem. 

‘Ik ga je missen,’ zegt ze zachtjes. ‘Rob…’