Vijf favoriete coming-of-age-romans opnieuw gelezen

55

Francie en ik

Sonja Buljevac

Nog voordat ik Betty Smith’s A Tree Grows in Brooklyn in handen had, wist ik al dat ik van Francie zou gaan houden. Alsof ze een vriendin van een vriendin was, iemand die ik nooit had ontmoet maar van wie ik uit de verhalen kon opmaken dat we perfect met elkaar overweg zouden kunnen. En Francie stelde niet teleur.

Twintig was ik toen we elkaar eindelijk ontmoetten. Voor het eerst op een studentenkamer waar ik voor onbepaalde tijd kon wonen, in plaats van steeds een paar maanden onder te huren en tijdens de zoektocht naar een nieuw adres weer terug bij mijn ouders te gaan wonen; net aan een tweede bachelor begonnen, omdat het idee van het werkende leven me vooral eng en intimiderend leek. Met m’n tenen stond ik op de drempel van volwassenheid, maar ik zette huiverig een stapje terug. Dat was het moment waarop ik, na het boek al jaren in mijn kast te hebben staan, eindelijk begon te lezen over Francie Nolan, een meisje dat samen met haar broertje Neely opgroeit in Brooklyn aan het begin van de twintigste eeuw. Haar vader is een zingende ober die zijn loon net zo snel opdrinkt als het binnenkomt en het gezin kampt regelmatig met armoede, maar desondanks is het allesbehalve een treurig boek. Vanuit elke bladzijde voel je de warmte tussen de gezinsleden alsof je zelf met ze in de woonkamer zit.

Ik zou nog een hele essayreeks kunnen vullen met de prachtige passages uit A Tree Grows in Brooklyn die me bijgebleven zijn. In minuscule momenten zit een overvloed aan drama en liefde verborgen. Een arts die walgt van de smoezelige kleding die Francie en haar broertje dragen, het spel dat hun moeder verzint om de kleine porties eten wat draaglijker te maken en de troost die Francie’s vader haar biedt als ze door een volwassen man is belaagd in het portiek van hun flatgebouw: juist die momenten, tussen de grote gebeurtenissen door, maken de roman zo levensecht en hartverscheurend.

Maar wat Francie’s verhaal van andere coming-of-age-romans onderscheidt, is dat het niet alleen háár verhaal is. Smith vertelt ook over het leven van Francie’s ouders en grootouders; hoe haar analfabete grootmoeder uit the old country naar New York kwam en een leeg blik, vastgespijkerd in de kledingkast, vulde met kwartjes en dubbeltjes, in de hoop daar ooit een stuk land van te kunnen kopen; hoe Francie’s moeder besluit haar kinderen elke avond voor te lezen uit de Bijbel en Shakespeare, want onderwijs is de sleutel tot succes, en ze is vastberaden dat zij het later beter zullen hebben dan zij het had. Natuurlijk maakt Francie gedurende het boek ook haar eigen ontwikkeling door, maar haar verhaal is onlosmakelijk verweven met de verhalen van haar familie. Altijd blijft Francie verbonden met haar afkomst en omgeving.

De verhouding tussen waar ik vandaan kom en hoe dat mij vormt tot wie ik ben, is voor mij best lastig geweest. Mijn ouders wilden voorkomen dat ik me in Nederland zou voelen als een ‘allochtoon’ (wat toen nog vrijuit gebruikt werd) en hebben daar bewuste keuzes in gemaakt. Omdat zij me eigenhandig onderdompelden in de Nederlandse taal en cultuur, kan ik me daar nu accentloos en ongemerkt doorheen bewegen. Meer dan eens heb ik te horen gekregen: ‘O, maar ik vind jou helemaal geen allochtoon’ en nog altijd krijg ik de neiging daar ‘dankjewel’ op te antwoorden.

Waar sommige migranten juist steun halen uit het vasthouden aan hun originele cultuur, wilde ik het liefst doen alsof die niet bestond. Ik vond het ongemakkelijk om mensen die mijn achternaam verkeerd uitspraken te corrigeren, werd op slag chagrijnig als jongens tijdens het uitgaan met me probeerden te flirten door te raden wat mijn afkomst was (‘want je ziet er zo exotisch uit’), en wilde over alles schrijven, behalve de achtergrond van mijn ouders, doodsbang dat mensen zouden denken dat ik het als ‘trucje’ gebruikte. Het werd een verboden thema, alsof het erkennen van mijn Kroatische achtergrond afbreuk zou doen aan mijn Nederlandse identiteit.

 Hoe vaker ik A Tree Grows in Brooklyn herlees, hoe meer ik me realiseer dat mijn afkomst nou eenmaal niet van me af te schudden is. Al hoeft hij me niet te beperken: Francie krijgt het, ondanks de armoede waarin ze opgroeide, voor elkaar om als eerste in haar familie een vervolgopleiding te gaan doen, met uitzicht op een beter betaalde baan dan haar ouders ooit hadden. De regie over haar leven heeft ze in eigen handen. Toch zag Smith de verhalen en ervaringen van Francie’s familieleden als een essentieel element in haar eigen ontwikkeling tot volwassenheid.

Ik ben mijn ouders nog altijd dankbaar voor hun keuzes, die mijn latere leven in veel opzichten makkelijker hebben gemaakt. Tegelijkertijd komt mijn eigen keus om vooral mijn Nederlandse identiteit te omarmen –  en mijn niet-Nederlandse zoveel mogelijk te negeren – misschien juist wel daaruit voort. Vastberaden om mijn achtergrond geen beperking te laten worden, vond ik het lastig om hem me überhaupt toe te eigenen. Alles of niets: óf ik ben ‘gewoon’ een Nederlander, óf ik ben het kind van migranten. Een gulden middenweg zag ik niet. Tot ik kennismaakte met Francies verhaal en las hoe zij haar achtergrond leerde accepteren zonder deze als een restrictie te ervaren. Die middenweg waar ik zo naar zocht, liet zij mij eindelijk zien: geen duidelijke rechte lijn, maar een meanderend paadje, waarop je soms flink verdwaald raakt of eindeloze omwegen lijkt te nemen, om uiteindelijk toch wel te belanden waar je moest zijn.

Besproken boeken

Betty Smith: A Tree Grows in Brooklyn

A Tree Grows in Brooklyn

Betty Smith

Bestel