Vijf essays over films met boze introverten

55

Taxi Driver

Laurens M. Besselsen
De reflectie van de rode achterlichten van een auto op natte golfplaten

“I just want to go out and —
you know — like really,
really do something.”

Introversie hoeft niet uit te monden in eenzaamheid, maar eenzaamheid ligt altijd op de loer.

Je keert je in jezelf, steeds vaker, steeds langer, tot je niets anders kent. Het sociale ongemak groeit. Je maakt een grapje dat niet overkomt, probeert verschillende glimlachjes uit, begint met praten wanneer de ander niet meer op je antwoord wacht.

Een kracht drukt je samen: handen in je zakken, kin op de borst. De wereld voltrekt zich, maar rakelings langs je heen. Je hoort stemmen, kreten. Je ruikt benzine, eten. Je ziet lantaarns, stoplichten, koplampen, maar vaag en vervormd achter de verregende voorruit van je taxi.

Alles wat onzichtbaar blijft, erodeert en brokkelt af tot je een holte voelt waar al het licht uit weglekt. Je had er net zo goed niet kunnen zijn, en je merkt dat er in die holte, in de spleten van het beton, iets ontkiemt en groeit, iets dat wil dat je, koste wat kost, op welke manier ook, bestaat.

In Taxi Driver, een film van Martin Scorsese, speelt Robert de Niro de rol van Travis: een eenzame oorlogsveteraan die last heeft van slapeloosheid en daarom nachtshifts draait als taxichauffeur in de schimmigste wijken van New York. Tijdens zijn pauzes drinkt hij koffie met collega’s die sterke verhalen delen met elkaar. Travis is afgeleid en ongemakkelijk en maakt nooit helemaal deel uit van de groep.

Hij vestigt al zijn hoop op de bloedmooie Betsy (Cybill Shepherd), een vrouw die hij op straat voorbij ziet lopen en achtervolgt. Uiteindelijk hebben ze zelfs twee dates, maar wanneer Travis Betsy meeneemt naar een pornobioscoop wil ze — geheel begrijpelijk — niets meer met hem te maken hebben. Hierna raakt Travis verder vervreemd van de wereld om zich heen en probeert, zonder Betsy, wanhopig grip te krijgen op zijn leven.

Dat begint onschuldig met een gezondere levensstijl — zij het ietwat obsessief — maar begint te ontsporen wanneer hij een sporttas vol wapens koopt. Travis houdt die wapens vervolgens permanent onder zijn kleren paraat, als verlengstukken van zichzelf. Uiteindelijk beslist hij een aanslag te plegen op de presidentskandidaat waar Betsy vrijwilligerswerk voor doet. Het is onduidelijk wat hij hiermee wil bereiken, ik heb het idee dat hij vooral iets wil vernielen, eenderwat, en zich op die manier hoopt te profileren — in het bijzonder voor Betsy, maar eigenlijk voor iedereen.

De beveiliging heeft Travis door en de aanslag wordt in de kiem gesmoord. Hij weet weg te komen en stormt dan maar een bordeel binnen waarvan hij weet dat er minderjarige meisjes geprostitueerd worden, en schiet daar alle pooiers dood.

Van alle films die ik in deze essayreeks besproken heb, is Taxi Driver het meest onbehaaglijk. Dat komt omdat Travis’ daad moreel ontzettend ambigue is. De hoofdpersonages uit Drive en You Were Never Really Here zijn bijvoorbeeld niet minder gewelddadig dan Travis, en hoewel ook dat geweld tenminste voor een deel voortkomt uit een woede of frustratie die niets te maken heeft met waar het zich op richt, wordt het ondubbelzinnig ingezet om onrecht te bestrijden.

Uiteindelijk redt ook Travis door zijn bestorming van het bordeel een meisje uit de kinderprostitutie (en wordt hij zelfs als held gezien), maar alleen omdat zijn aanslag op de presidentskandidaat mislukte. Er is weinig heldhaftigs aan, het is alleen maar woede, alleen maar geweld en daardoor op de meest zuivere (en gruwelijke) manier herkenbaar.

En dan?

Opluchting.

Door het gevoel van herkenning?

Tussen de herkenning en de opluchting gebeurt nog iets anders. Terwijl Travis het bordeel binnenstormt, raast er een woede door mijn lijf die mimetisch is, en toch ontegensprekelijk van mij. Ze maakt me bang en ik schaam me ervoor. Ik wil dat ze verdwijnt en mij met zich meeneemt, maar ik heb me nog nooit zo zeker gevoeld, zo sterk als nu, hier, en ik wil gewoon echt, echt iets doen.

*

We zitten in een kring. Driver, Lee, Jacky, Joe, Travis en ik. Een praatgroep voor boze introverten waar niets meer te zeggen valt. We kijken zijlings naar elkaar. We hebben zacht gesproken, geluisterd, en herkend. Nu staan de anderen op uit hun stoel, voorzichtig, een voor een en met z’n allen tegelijk.

Zonder dat ik het door heb, ben ik ook opgestaan. Ik heb een sportauto gekocht, ben de stad ingetrokken — Leuven, Utrecht, Amsterdam, Den Haag — en mijn pestkoppen te snel af geweest. Ik heb me breed gemaakt en de docent die me zo laag inschatte neergeslagen in de lift. Ik heb de deur ingetrapt van de klasgenoot die me nooit zag staan. Ik heb een hamer gekocht en de hersens ingeslagen van de psychiater die dacht dat ze me door had. Ik ben een flatgebouw binnengestormd en heb iedereen die me alleen liet staan op de speelplaats neergeschoten. Ik ben buiten adem, mijn hart gaat tekeer, ik voel het bloed van mijn vingers druipen, de pillen die me langzaam uitdoven.

Ik klap mijn laptop dicht en blijf nog even in het donker zitten. Huilerig, uitgedroogd, uitgeput.

En dan?

Ik doe het licht aan. Er zit geen schotwond in mijn buik. Er zijn geen handen die me ruw in de boeien slaan. Ik kijk naar mijn eigen handen en zie een klein korstje bloed, van de winterkou die mijn huid heeft uitgedroogd. Ik roep mijn hond bij me en loop een laatste rondje door de buurt. Ik trek mijn schouders op bij de auto die me geen voorrang geeft bij het zebrapad. Ik poets mijn tanden, kruip in bed en val in slaap. Een onrustige, maar niet onvredige slaap.