Vijf herinneringen aan brandnetels

55

vijfde herinnering

Francis Nagy

Over drie dagen is het bevrijdingsdag. Op school hebben we projectweek. Het thema is ‘leven in oorlog’. Vandaag is er een Holocaust-overlever in de klas om te vertellen over haar tijd in concentratiekamp Auschwitz en Bergen-Belsen. De vrouw komt samen met onze Nederlands docent binnen. Ze ondersteunt zichzelf met een paarskleurige wandelstok. De handgreep en de rubberen dop aan de onderkant van het ding zijn felgeel. Ze neemt plaats in de gestoffeerde stoel, die voor de gelegenheid uit de lerarenkamer is gepakt. De tafels hebben we naar achter geschoven, de stoelen in theateropstelling gezet. Ik zit op de tweede rij en ruik de haargel van de klasgenoot voor me. Het ruikt naar te zoete perzik en doet me denken aan een geurstift die ik vroeger had.

De vrouw stelt zich niet voor. 
‘Je naam deed er niet toe in het kamp,’ zegt ze. Ze stroopt haar blouse op en laat het serienummer zien dat op haar linkeronderarm is getatoeëerd. Ik kijk naar de vale cijfers en de levervlekken op haar huid. 
‘De nummers van mijn drie broers ken ik nog altijd uit mijn hoofd,’ gaat ze verder. Ze vertelt dat er dagen waren dat ze zo ziek was dat ze vergat dat haar broers niet meer leefden. Dat ze ijlde en hen zag lopen. Van de mensen die dagelijks moesten werken buiten het kamp, keerden er velen niet terug. In de barakken braken luizenplagen uit en iedereen had honger. ‘We plukten de brandnetels die langs het prikkeldraad groeiden en kookten er soep van.’

Terwijl de vrouw praat, blijf ik kijken naar het nummer op haar arm. Ik zie het jongetje van de zwemles voor me dat met zijn fiets viel. Hij klapte met zijn kin op straat. Het bloed liep langs zijn hals. Ik vond dat hij iets weg had van een vampier. Een vampier die net iemand had gebeten en daar spijt van had, want hij huilde. Ik was jaloers op het jongetje. Er bleef een winkelhaakvormig litteken achter op zijn kin. 
Vlak na de val van het jongetje schuurde ik expres met mijn scheenbeen langs een hek. Ik droeg een korte broek. Het was direct hek-op-huidcontact, maar er vormde zich geen winkelhaak. Er welden enkel wat druppeltjes bloed op, zoals gebeurt bij een ui wanneer je die snijdt. 

Na school stop ik onderweg bij een strook groen langs het spoor. Er staan brandnetels. Ik pluk de planten met blote handen. De brandharen steken mijn handrug, palm en tussen mijn vingers. Binnen enkele minuten is mijn huid rood en tel ik tientallen netelblaren. Ik gooi de geplukte brandnetels terug tussen de planten en kijk naar mijn gehavende handen. Ik wil dat de netelblaren blijvend zijn. Maar nog voordat ik thuis ben, is de meest hevige roodheid weggetrokken.